Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 111 —

alle jaarverslagen vergelen, had haar hoed opgezet en was zoo hard zij kon naar huis geloopen. Zij voelde een levendige dankbaarheid jegens de Voorzienigheid, toen zij zag dat hij er nog was.

Van het oogenblik dat mevrouw Jespersen binnentrad, wendde graaf Höegh zich uitsluitend lot. haaien toen Elisabeth hun gesprek een poosje zwijgend had aangehoord, nam zij ongemerkt haar boek en trok zich in haar kamer terug.

Maar zij kon den koning der dichters niet. met voldoende aandacht volgen en legde haar boek ter zijde. Na een oogenblik bedenken nam zij haar pen en begon te schrijven. De indruk was frisch, het. beeld, dat ze teekenen wilde, duidelijk; zij meende het te kunnen vasthouden; maar ze voelde zich zoo hulpeloos als een schilder tegenover een bepaalde uitdrukkingop een gezicht, dat hij niet kan weergeven door een of andere lijn en die toch aan het gezicht het eigenaardige karakter geeft.

Zij liet verbaasd de pen zinken en vroeg zich zelf af: »Kan gestreelde ijdelheid werkelijk iemands hoofd zóó in de war brengen'.'"

Hendrik von Platen was op den leeftijd, dat een jonge man de eerste de beste vrouw lief kan hebben, niet om een of andere uitnemende eigenschap, maar eenvoudig omdat hij behoefte heeft een wezen van het andere geslacht te aanbidden. Hij had naar zijn eigen uitdrukkelijk verlangen zoo goed als zijn geheele leven op zijn landgoed doorgebracht, waar hij al 't aangename gevoel van grondbezitter te zijn genoot. Maar in dit kleine stadje, waar hij zich alle meisjes als kleine, ondeugende kinderen herinneren kon, was hij nooit onder de bekoring eener illusie gekomen, die onontbeerlijk is voor een verliefdheid op twintigjarigen leeftijd en hij had dus zijn tegenwoordigen ouderdom bereikt, zonder ooit een vrouw te vinden, wie hij de geestdrift van een eerste liefde wijden kon. Toen ontmoette hij juffrouw Due. Eerst had hij haar behandeld met die mengelingvan onhandige schuwheid en een trotsch gevoel van meerderheid,' die hem eigen was. Maar de woorden van graaf Höegh hadden hem als 't. ware den blinddoek voor de oogen weggenomen. Toen die man, die voor hem alles vertegenwoordigde wat men in deze wereld aan ervaring en smaak bezitten kan, zijn: »zij is mooi" uitgesproken had, had hij haar aangezien en voor 't eerst was hem het begrip »vrouw" duidelijk geworden. Oogenblikkelijk gaf hij zich aan den angst en de vreugd van een heftige verliefdheid over.

Toen zijn traag bloed eenmaal in beweging ge¬

komen was, kwam de verandering spoedig en sterk.

Hij voelde het komen met dezelfde angstige verrukking, als waarmee een jong meisje in badcostuum zich voor 't eerst aan 't water toevertrouwt en voelt, dat het haar dragen kan. Het benam hem soms den adem, maar het gevoel zelf was hem een onbeschrijfelijk genot.

Het dagelijksche leven thuis werd hem pijnlijk, hij kon niet altijd alleen zijn, als hij het verlangde; en de eenzaamheid trok hem aan met onweerstaanbare kracht. Hij ging dan graag op de jacht, maar kwam meestal met een ledige tasch thuis. Als hij had moeten zeo-gen, waar hij eigenlijk aan dacht, wanneer hij alleen in het bosch liep, dan zou hij niet naar waarheid Elisabeth Due kunnen noemen. In werkelijkheid gleed baar persoonlijkheid aanhoudend weg uit zijn bewustzijn en liet hem achter met dat groote, onbegrijpelijke, — dat hij liefhad. Hij kon haar een oogenblik in zijn herinnering terugroepen als hij de woorden van graaf Höegh herhaalde: »Zij is mooi!" maar 't volgende oogenblik was zij weg en liet hem alleen met zijn liefde.

Nu en dan drong zich plotseling- de vraag aan hem op: «had hij werkelijk lief?" Soms kwam het hem voor, dat dit niet het geval was, dat was als hij baaipas gesproken had; maar als de tijd voor een nieuwe ontmoeting naderde, was bij weer zeker van zijn zaak: ja, hij had lief. In haar nabijheid was hij zoo onhandig, dat hij er wanhopend onder werd, maar dat werd nooit beter.

't Was een stille winterdag met vriezend weer in Januari. Elisabeth Due ging langzaam over den weg in de richting van Halköbing, alleen, zooals ze -'t liefste was op haar wandelingen, verdiept in 't genot van de schoonheid om haar heen.

't Water was glad als een spiegel, bijna wit onder den helderen hemel; 't sneeuwkleed van de velden schitterde in den zonneschijn, struiken en boomen bogen de takken onder hun zachten last. Ieder huis, ieder voorwerp teekende zich scherp af tegen de lucht met. de door de sneeuw afgeronde lijnen. De vastgetrapte sneeuw op den weg kraakte licht, verder was alles zoo stil, dat zij niettegenstaande de groote afstand de lange golven regelmatig tegen het strand op hoorde spoelen. Alles in haar was rustig. Haar gedachten volgden geen bepaalde richting. Zij genoot van het oogenblik en haar jonge kracht. Het verleden en de toekomst waren uit. haar bewustzijn weggewischt, zij had geen plannen of wenschen. Zij leefde en dacht aan niets anders.

Sluiten