Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 132 -

Zij antwoordde niet.

«Maar Leiden zoeken wij 't geluk. Ik reis er misschien van weg. Ik zal aan de Adriatische zee of in Rome wonen, maar wat ik daar kan vinden ligt buiten mijn zieleleven. Hoe zal ik dat vinden wat bemiddelend, verbindend zal wezen tusschen die buitenwereld en mij ? — Ik geloof dat ik een dal zal opzoeken in Provence, een warm nestje tusschen rozen verborgen. Daar wil ik probeeren te leven en lief te hebben. . . . Ach kon ik 't maar!"

Zij boog het hoofd en zweeg, 't Werd. doodstil in de kamer.

Toen schrikten ze beiden op door een rijtuig dat 't hek in kwam.

»Daar is mijn rijtuig. Dag, juffrouw Due."

Zij stonden tegenover elkaar. Hij breidde plotseling de armen uit:

»Kom, ga meê. Wat houdt U terug? Ik heb U lief. Ga met mij meê. Ik bied U alleen — mijn liefde. Die is niet veel waard. Ik weet, dat, het offer aan uw kant is; maar U hebt me immers lief? — Kom, XJ kunt liefhebben.

Toen zag ze als in een oogenblik van clairvoyance zich zelf en hem.

Niet dat het geluk, wat hij haar aanbood maar kort zou duren. Al was het voor hem maar een enkel uurgeweest; dan had zij zich opgeofferd. Ook niet, dat - ze haar roeping ontrouw zou worden — haar roepingwas lief te hebben. Maar ze zag dat op 't zelfde oogenblik als ze haar ja uitgesproken had, zij alle beteekenis voor hem verliezen zou. Hij kon niet liefhebben. Hij kon alleen er naar verlangen. En zij wilde hem niet verliezen. Zij wilde niet alles te vergeefs offeren. Ze had hem liever dan haar leven, maar zij wilde den band tusschen hen niet, zelf moedwillig verscheuren.

Ze antwoordde daarom, toen hij haar hand greep en zich over haar heen boog:

»Neen, neen,"

Hij werd bleek, nam haar in zijn armen, drukte haar dicht tegen zich aan en fluisterde.

»Dat meent U niet, 't is valsche vrees. Ik ken U beter dan U u zelf kent. Ik weet, dat U het doen zult."

En weer antwoordde ze: »Neen.. .. neen." Maar zij onttrok zich niet aan zijn armen, want ze wist, dat, ze over een paar minuten scheiden moesten.

«Zoo waar IJ me liefhebt, zult U me volgen."

»Ik heb niet lief."

»Ik weet dat het niet waar is. U hebt me lief, U zult me altijd liefhebben, U hebt me altijd liefgehad!"

Ze was op 't punt. te bezwijken; maar ze antwoordde :

sik heb nooit liefgehad."

Toen kwam er een bijna waanzinnige uitdrukking op zijn gezicht. Een oogenblik dacht hij er aan haar mee te voeren tegen haar wil, — maar toen ontspanden zich zijn trekken en hij vroeg:

» Waarom hebt IJ dit. alles gedaan, waarom hebt U mijn illusie gevoed? Waarom hebt U mij een minuut aan geluk doen gelooven? — Waarom?

En in haar wanhoop antwoordde ze:

iiOmdat ik er f leizier in had."

Toen liet hij haar los. Zij zag hem niet aan; ze keerde zich om en ging naar de deur van de aangrenzende kamer, deed die open, ging er door en sloot die achter zich dicht. Toen zij den knop losliet, zonk ze ineen, viel voorover en bleef liggen. Zij hoorde niet dat zijn wagen wegreed.

Hoe lang ze daar gelegen had. wist ze niet. Maar toen ze opstond, was het alsof ze jaren lang geslapen had. Het, verbaasde haar de welbekende eetkamer te zien, met de oude meubels, alleen te zijn en aan de zonnestreep op de muur te zien dat. 't nog vroeg op den middag was. Daar lag een beschreven vel papier op de tafel. Werktuigelijk nam ze het op. Eerst toen ze er lang op getuurd had, begreep ze dat het de brief was, dien ze ontvangen had, maar ze begreep niet hoe die daar gekomen was. Ze moest hem in gedachten hebben meegenomen toen ze het dienstmeisje riep.

Zij draaide 't papier om haar vingers terwijl ze de trap opging naar haar kamer, 't Venster stond nog open, het schrift lag nog opengeslagen op tafel, een schoonschrift met mooie rechte letters en zedekundige voorschriften. Zij bladerde er in, staarde verward op de beschreven bladzijden en legde 't neer. Zij begon weer te lezen in 't papier, dat ze in de hand had, zonder te begrijpen wat er stond, tot ze aan de woorden kwam, waarbij ze kort geleden had opgehouden te lezen;

»Breng het offer en kom hierheen : Het verdriet zal je rijp maken voor je roeping." Die woorden begreep ze.

Haar onnatuurlijke kalmte verliet, haar. Ze barstte in luid schreien uit:

»Dat zal het misschien wel, maar 't zal lang duren — o zoo lang."

Sluiten