Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

F. 27. Zes-en-Dertigste Jaargang. 1869.

NIEUWSBLAD voorden BOEKHANDEL

De Uitgave van dit Blad, dat Donderdags het licht De Abonnementa-prijs is, met inbegrip van het Zonnet, geschiedt door J. M. VAN 'T B A A F F te DONDERDAG /1,75 per 3/m. De prijs der Advert. voor Gea'i Qravenhage, aan wien men de Advertentiën , ' bonneerden, van 1—7 regels 50 Cts.; iedere regel meer niterlijk tot Woensdag-middag, franco gelieve toe te g JlllÜ 1869 5 *""8' <^'"">me ^ m' Advertentiën van N'et-Geahonn. zenden. Alle briefporten komen op rekening der in- » 1 of Advert. door Geabonn. voor anderen geplaatst, 15 Ct«. zenders. per regel.

ïereeniglng ter bevordering van de belangen des Boekhandels.

Het Bestuur bericht aan de leden, dat het onderstaande adres, den len dezer maand aan Z. Excellentie den Minister van Financiën persoonlijk is ter hand gesteld.

Namens het Bestuur, Amsterdam, W. H. Kirberger, President.

5 Juli 1869. J. C. Loman Jr., Secretaris.

Jan Z. Excellentie den Minister van Finantien.

De Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels, veroorloïrfUeiafr", Uwe Excellentie haren dank te betuigen voor liet tot stand brengen van de wet tot afschaffing van het zegelrecht op gedrukte stukken en op de advertentiën in de nieuwspapieren. Mogen van den ge. wichtigen maatregel heilzame gevolgen voor de algemeene volksbelangen worden verwacht, in het bijzonder acht de Vereeniging zich geroepen, hare erkentelijkheid te betuigen voor de welwillendheid, waarmede Uwe Excellentie de billijke wenschen van den boekhandel in dezen heeft ontvangen en doen gelde:).

Intusschen, indien de adressante zich verheugt, dat de tot stand gekomen afschaffing de Nederlandsche letterkunde en den boekhandel, zoowel als andere takken vau nijverheid van eene eenzijdige belemmering ontheft, acht zij zich verplicht, Uwe Excellentie met bescheidenheid tc wijzen op de omstandigheid, dat deze nieuwe toestand aanleiding geeft tot de uitbreiding van concurrentie, die, als zij door de Begeering wordt gewettigd, onvermijdelijk een hoogst verderfelijken invloed op den geheelen tak van boekhandel, die der dibitanten, zal uitoefenen.

Het is Uwe Excellentie natuurlijk bekend, dat de postkantoren zich door het leveren van tijdschriften en dagbladen, welke per post verzonden worden , altijd eenigermate met den boekhandel hebben ingelaten. Hoewel dit handeldrijven van 's Lands ambtenaren in het algemeen niet kan gebillijkt worden, heeft de adressante zich daarom tot dusverre niet met dien aandrang, welke thans noodzakelijk wordt, beklaagd, omdat dit handeldrijven, waarschijnlijk het gevolg van de controle op het zegelrecht, uit den aard der zaak meer beperkt was.

Thans echter is door de afschaffing Van het zegelrecht, een geheel nieuwe toestand geboren. Het is te voorzien, dat, nu de controle aan de postkantoren, te gelijk met de zegelbelasting feitelijk is vervallen, en daardoor de verzending per post veel gemakkelijker is geworden, boeken en tijdschriften in 't vervolg grootendeels en steeds meer langs dezen weg door den boekhandel zullen worden verzonden, en nu blijkt het, o. a. uit gedrukte stukken, dat de verschillende postkantoren voornemens zijn, dezen nieuwen toesland in hun eigen belang te exploiteren. Mochten deze handelingen door de Begering worden toegelaten, dan is het te voorzien, dat de postkantoren, gebruik makende van de vele hulpmiddelen, waarover alleen in het algemeen belang mag beschikt worden, zich allengs geheel van den kleinhandel in boeken zullen meester maken, en hiertegen is het, dat de adressante in tijds hare bezwaren meent te moeten doen gelden.

Zonder zich te verdiepen in de kwestie, willen zij met vertrouwen aan het onderzoek van Uwe Excellentie onderwerpen , of het in het algemeen belang wenschelijk kan worden geacht, dat Staats-ambtenaren, aan wie de zorg voor eene der belangrijkste afdeelingen van administratie is toevertrouwd, zich in hun eigen belang wijden aan een bijzonderen tak van handel, wenschte zij U

opmerkzaam te maken op de onhoudbare positie, waarin dc boekverkooper geraakt, wanneer hij, genoodzaakt zich tot eene Staats-instelling te wenden, juist daar zijne concurrentie vindt, die, met den natuurlijken ijver bezield, om hun handelsrelatiën uit te breiden, in de gelegenheid zijn, niet alleen zijne zaken te controleren door het nagaan zijner zendingen, maar die ook, door de Regering gesteund, met een door de Begering betaald personeel, en in bun eigen belang gebruik makende van de hulpmiddelen der post-administratie, gemakkelijk in s'aat zijn om zelfs de grootste activiteit van ieder, die niet tot het corps van ambtenaren behoort, nutteloos te maken.

Het komt de adressante voor, dat dit handel drijven van lands-ambtenaren alleen dan zon kunnen worden toegelaten, als het bleek, dat op geen andere wijze aau de billijke eischen van het publiek kon worden voldaan, en zij ontkent niet dat er vroeger, toen de middelen van gemeenschap meer te wenschen overlieten, aanleiding kan hebben bestaan, om de postkantoren te machtigen, daarin te gemoet te komen, maar tans — zij durft het zonder vrees voor tegenspraak verklaren — is er geen enkele grond voor de bewering, dat de tusschenkomst der postadministratie noodig , nuttig of zelfs gewensoht zou zijn voor het lezend publiek, daar de boekhandel, door gebruik te maken van het vervoer per post, ruim gelegenheid heeft, om in de behoefte, ook op kleinere plaatsen, te voorzien, indien zijne ontwikkeling althans niet door ambtenaars-concurrentie wordt verlamd. Dat de vrijheid tot dien handel aan de postbeambten zou gegeven zijn met het oog op hunne bezoldiging, is toch wel niet aan te nemen, daar het zeker het eenige voorbeeld hier te lande zou zijn van ambtenaren, in wier behoefte op zoodanige wijze wordt voorzien.

Het ligt niet in de bedoeling der adressante, om eenigen blaam te werpen op het personeel der post-administratie, zij is overtuigd, dat, voor zoover daarop gegronde aanmerkingen worden gemaakt, deze het noodlottig gevolg zijn van den tweeslachtigen toestand, waarin ambtenaren geplaatst zijn, die, in dienst van den Staat, geroepen om werkzaam te zijn in het belang van allen, genoopt worden zich, tot verbetering van hun finantieelen toestand, meer bijzonder te wijden aan het belang van enkelen, wier begunstiging hun verre van onverschillig is. Hierom te meer wenscht zij voor Uwe Excellentie hare overtuiging uit te spreken, niet alleen dat het onbillijk tegenover den boekhandel zou zijn, om de uitbreiding eener zoo ongelijke concurrentie door Staats-ambtenaren te steunen, maar vooral ook, dat het vertrouweu, tan3 nc door de Nederlandsche post-administratie genoten, noodzakelijk moet verliezen, wanneer hare beambten een deel hunner bezoldiging moeten vinden in een handel, die hen partijdig tegenover den een, afhankelijk van den ander maakt.

Op dezen grond vindt de adressante vrijmoedigheid, om Uwe Excellentie eerbiedig te verzoeken, dat zij br sluite, om, zoo spoedig dit zal kunnen geschieden, aan de ambtenaren der post-administratie te verbieden, zich te belasten met den handel en den verkoop van boeken, tijdschriften en dagbladen, 't Welk doende enz.

Be Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels, Amsterdam, W. H. Kirberger, President.

29 Juni 1869. J. C. Loman Jk., Secretaris.

Sluiten