is toegevoegd aan je favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 72, 1915 [volgno 10]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan meesterwerken uit het buitenland gewijd is. De zaakkundige ijveraar voor Nederlandsohe toonkunst-belangen Dr. F. C. Kist, spitst zich reeds, om daar in zijn uitvoerig verslag in „Caecilia" op te wijzen. Maar velen ook zijn er, die deze meening niet deelen en men bereidt zich voor op het groote genot, dat te wachten is van de met goud betaalde wereldberoemdheden, die straks zullen optreden. Een geritsel van aandacht en verlangen gaat door de zaal, als ze in den te nauwen doorgang tusschen orkest en koor naar voren komen. De opzichtig gedecolleteerde sopraan Elly Ney, „Kammer-sangerin" van den Koning van Saksen voorop, vervolgens de alt C. F. Dolby van de „Sacred harmony Society" te Londen, als derde de eenige bloem van eigen bodem Sophie Offermans van Hove en dan de heeren Gr. Boger, heldentenor van de „Grande Opera" te Parijs, een „mooie man", die voor een van de grootste zangers van de wereld geldt, wat (de Toonkunst-bestuurders weten dat) aan zijn honorarium heel duidelijk te merken is, want hij ontvangt voor zijn praestatie 4500 francs, een post, die op de rekening als „geheim" geboekt staat. Na hem komen nog de barytonist J. B. Pisohek Hoftheater-Sanger uit Stuttgart en de bas Carl Formes van de Londensche

opera, en '): „Thans vertoonde zich het gansche orkest als een reusachtige schelp,

die in onze verbeelding, gespoord door het gewoel in de vertierrijke stad en de nabijheid der schoone Maas met hare welvaart uitgietende zeekasteelen, tot een Neptunus-wagen werd herschapen, aan wiens samenstel ten nutte der kunst, een deel der winsten was besteed — edel gebruik voorwaar! — ons land door den handel toegevloeid. Voor ons waren die gelederen van zangers en van instrumentisten tot zoovele Tritons geworden. Die beide phalanxen van sierlijk gekleede, en den rijken haartooi met bloemen en kleurige linten omkransde schoonen, schier alle in sneeuw wit gewaad gehuld, die zich aan de voorzijde en in de meer onmiddellijke nabijheid van het hoofdgedeelte — de tribune — bevonden, kwamen ons voor als zoovele nimphen, die den troon van den zeegod omgaven en den overgang vormden van de ruwere zeegeesten tot het onstoffelijke rijk der tonen, dat zij zoo aanstonds, Poseidon omstuwende, zouden bezingen. Daar slaat hij, die het eerst dezen Phalanx zal aanvoeren, een blik naar den naam van het reusachtige genie van Beethoven, als riep hij hem om zijn hulp en bescherming aan. Daar wendt hij zich naar de gereedstaande reyen, wijst met den staf even naar het tafereel aan de eindwand, als wilde hij aller geest doordringen van het denkbeeld, dat zij één in allen en allen in één, hier als priesters werkzaam zijn, als krijgers en herauten der feestvierende kunst, als kunst vertolkers, wier productie door die duizenden van liefhebbers en kunstrechters uit de landgenooten zal worden aangehoord en opgevangen. Dat opheffend wijzen met dien staf, het was der ouden offerwijn-plenging aan de goden vóór het aanvangen van het feest, om hun hulde te brengen en bescherming te vragen, hier opgedragen aan de kunst in 't algemeen, aan de Nederlandsche kunst in 't bizonder, wier hoogtijd het is.

Daar zinkt de staf neer en voort rolt de wagen, wiegelend op die machtige toongolvingen die nu, hangende aan de bewegingen van dien staf, al bruisend en spattend en klaterend, als ten hemel opgezweept, het hart in spanning en onrust brengen.

De uitvoeringen van het groote muziekfeest zijn begonnen." ') Verslag Nieuwe Botterdammer, waarschijnlijk geschreven door J. P. Heije.

'265