is toegevoegd aan uw favorieten.

Caecilia; algemeen muzikaal tijdschrift van Nederland jrg 72, 1915 [volgno 11]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat volgens de (niet uit de lucht gegrepen, maar na rijp overleg) opgestelde wet1), 'n fout

is. Het belemmert een klaar overzicht en verwart de opvatting.

Die zoogenaamde decimole, is dus logisch terug te brengen tot twee „zestienden" Quintolen (9b). Stellen we nu deze naast vb. lcc, dan begrijpt men dadelijk wat het beduidt, als Riemann ergens spreekt van „hemmende" und „treilende" abnormale groepen: 5 tegenover 4 is treilend (vb. lcc); 5 inplaats van 6 (vb. 3bb) is „hemmend".

We komen thans tot de zoogenaamde Septimolen der maten 35 en 36; we zien daar twee soorten in elke maat zooals vb. lOab toont:

Vooral valt het toch wel wat sterk op, dat de „kritisch revidierende" Herausgeber (Hermann Scholtz), die van 10a, wier onzin toch al te zeer in 't oog springt, niet corrigeerde. Voorbeeld 10a is doodeenvoudig gelijk 11a toont; en 10b is te herleiden tot 11b. Ter opheldering zij hier (11) die volledige maat genoteerd:

De septimole (!) van 10a, is ten slotte niets anders dan 'n quartole2) op de tweede tel (zie 11a).

En de „zestienden" septimole der laatste tel lost zich op in 'n triole op 't laatste derde

gedeelte der vierde tel.

Men denke zich toch eens in, in de muggezifterij, die vorderen wou: dat in een zelfde tijdsbestek, door de rechte hand „zeven" volkomen gelijk durende noten zouden dienen te worden gespeeld, terwijl de linker hand datzelfde tijdsverloop in „zes" volkomen gelijke ') Zie, het aan Montesquieu ontleend motto bij den aanvang van dit opstel.

2) In ScHUMANN'sOp.9, hier in de noot 2 van pag. 220 geciteerd, komt nu 'n Septimole als vb. 10a voor, n.1. voor de geheele {2li) maat. Dat is onzin! Die „drie" maten met zulke Septimolen(\) moeten alle als volgt zijn: T CB53

en vooral niet omgekeerd. — Overigens wilde ik wel eens uitgemaakt zien, welke esthetische 2jt J | j | j j j meerwaarde er liggen zou in 'n opvatting en uitvoering als vb. 10a, het welk dan bovendien * * *

„zestienden, — en niet „achtsten" - zouden dienen te zijn (7 inplaats van 8). Men denke aan de - ik druk er steeds op: niet uit de wolken gehaalde — wet; hier (pag. 222) opgesteld, en verzuime daarbij niet de hierbij passende aanteekening (') aan den voet der pagina.

Schumann leed — helaas! — ook niet weinig aan Nieuwigheidszucht. Ja in die mate, dat een dilettant (nieuwigheidskramer) hem op sleeptouw nam. Men zie maar eens in zijne Gesammelte Schriften in het opstel over Beelioz: hoe h^j de dilettant Ernest Wa«ner volgde, in zijn — aartsdwaas en verwaand - denkbeeld: om „de rhytmen" uit „de maataccenten te bevrijden". Wie zoo iets mag hebben gedroomd of nog droomt: Berlioz, Schumann, Ernest Wagner en in onze dagen Charles Bordes c. s. en Güido Adler (men zie zijn boek: Der Stil in der Mustk (pag. 93-4) 1911). Op z'n zachtst uitgedrukt: allen weten niet wat ze doen!

Ik ben zoo vrij geweest, al deze heeren miskenners der echt muzikale grondwetten, eens ad rem de les te lezen, m mijn boek Ueber Rich. Waqner's Melodik und Harmonïk (Breitkopf ü HUrtel 1914) pag. XVIII—XXIII. Weerlegging is mij niet ter oore gekomen; en de daartoe speciaal geïnviteerde (Adler) zweeg, inplaats van zijn beweren te staven met bewijzen. Moderne wetenschap = beweren zonder bewijzen; dat is mij reeds al te duidelijk geworden 1

293