is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 14, 1885 (2e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

397

hem de eeuwenlange onderdrukking vergoeden zal, waaronder hij tot in deze dagen gebukt ging" 1).

„Behoeft het na dit alles nog betoog, dat wij, lettende op hetgeen Nederland reeds in zoo ruime mate van de kolonie heeft genoten, geen vrede hebben kunnen met de wijze waarop men aldaar bezig is om tot eene definitieve regeling van de verhouding der wederzijdsche geldmiddelen te geraken? Met onverdeelde instemming huldigen wij het beginsel, nedergelegd in artikel 1 van het gewijzigd wetsvoorstel van den heer van Dedern, dat alle Bijksuitgaven, strekkende ten behoeve van Nederlandsch Indie, of door het bezit van Nederlandsch Indie veroorzaakt uit de geldmiddelen van Nederlandsch Indie worden vergoed. Maar dat, met bestendiging van de bijzondere restitutiep.osten, voor die uitgaven een vast cijfer van / 4.000.000 'sjaars wordt aangenomen, zonder dat van eene deugelijke en proefhoudende staving van dat cijfer blijkts dunkt ons eene regeling, die, hoe men in het Voorloopig Verslag ook getracht hebbe haar te vergoelijken, een sterke familietrek verraadt met de kunststukken van 1836, waarover Luzac indertijd zoo onmeedoogend den staf brak. Eene verplichte bijdrage van Indie aan Nederland van / 4.000.000 'sjaars staat gelijk met eene schuldoplegging van / 100 millioen, en door hiertoe het bevel te geven, vóór dat de rechtmatigheid der vordering tot den laatsten gulden toe is aangetoond en bewezen, stelt Nederland zich onvermijdelijk bloot aan de verdenking van er op uit te zijn om als administrateur der financieele belangen van Indie eene zekere vergoeding boven de werkelijke onkosten van het aan zijne zorgen toevertrouwde beheer te bedingen, in den geest als dit in het derde artikel van den schrijver in de Amsterdammer wordt aangegeven. Zijns inziens ware voor een dergelijke vergoeding op den voet van „eene

1) Dr. J. van Vloten, Levensbode, IV, bl. 15.