is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (1e deel) [volgno 4]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■233

vonden en — waarlijk, daar zag Mense het met eigen oogen : „Eoozedoorn, een welgesteld koopman te Rotte r d a ra."

Nog eens las hij het en nóg eens weder, en telkenreize was het, of een stroom versche lucht uit het land der belofte de borst kwam verruimen, die zoolang achtereen door de smartelijkste aandoeningen werd beklemd.

„Ziet ge wel, dat ik geen abuis had ?" vroeg de heer Kraak, die nu ook de eer wilde genieten, waarop hij rechtens aanspraak mocht maken.

Zoo tot de werkelijkheid teruggeroepen, haalde Mense nog éénmaal diep adem. Toen sprak hij op gejaagden toon:

„Ja, het is zoo; jawel, gij hadt gelijk. — Maar nu ik moet weg. Adieu !"

En tegelijkertijd bood hij zijn gastheer tot afscheid de hand.

Maar hij had buiten den waard gerekend. Van zulk een voortvarenheid was de heer Kraak volstrekt niet gediend en in plaats van Mense wederkeerig de hand te reiken, hield hij dezen stevig bij den arm vast.

„Hola! dokter, dat gaat niet! Dat is heelemaal tegen onze afspraak! Gij hebt mij uw raad beloofd en nu zoudt ge zoo maar, zonder een enkel woord, willen heengaan ? Eerst zult gij mij toch behooren te zeggen, wat ik doen moet."

„Wel, laat ze gaan l" riep Mense, zich uit den greep van den kapitein losrukkende.

„ En wie zal dat dan betalen ?"

„Ik."

„Gij?!"

De heer Kraak strompelde van verbazing uit zijn hokje.

Doch de man, wien zijn uitroep gold, was reeds verdwenen; en toen de invalide, zoo vlug als zijn houten been dit toeliet, naar zijn stoepje gesneld was, kon hij nog maar juist den zoo overhaast vertrokken gast zich met rassche schreden zien verwijderen.

„Wie heeft nu al zijn dagen zoo iets gehoord!" sprak hij