is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (1e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

352

Inlander, maar van het hoogst wenschelijke er van zal ongetwijfeld bij hun weer levendig worden.

Trouwens de kennis, door een meer dan twee eeuwen langen omgang met den Inlander verkregen, van zijne gewoonten, gebruiken, geaardheid en neigingen heeft ons moeten doen inzien, dat hij zijn hoog opgezweepte adathuldiging belacht en die dekmantel van onrecht en onderdrukking gaarne prijsgeeft voor een rechtvaardige behandeling, voor een werkelijke bescherming van zijn personen en goederen.

Tegenover deze opwaardehouding van de schakels van het Inlandsch bestuur staat als een schril contrast een laakbare toegevendheid tegenover hen, waar het de uitoefening geldt van hun ambt, een weinig eischende nauwgezetheid waar het de behartiging van de belangen der hun toevertrouwde bevolking van de uitgestrektheden, tot hun arbeidsveld behoorende, betreft.

Tegenover de steeds hooger en hooger wordende eischen om de benoembaarheid tot Europeesch-Indisch ambtenaar te verkrijgen, staan de zoo uiterst lage voorwaarden waarop een Inlander, Inlandsch ambtenaar kan worden. En toch worden die personen een macht en een werkkring opgedragen, waartoe de met ruime kennis begaafde ambtenaar van het binnenlandsch bestuur niet geschikt wordt geacht, de ambtenaar voor de uitoefening van het Kecht in Nederlandsch Indie jaren lang in Europa kostbare studiën heeft moeten maken.

Dagen ver in uitgestrektheid zijn de districten en afdeelingen waarover wedanas en assistent-wedanas gesteld zijn, waarin zij politie en justitie uitoefenen, waarin zij de heerendiensten bepalen, de inning der belasting hen is opgedragen, zij de bevloeiing der rijstvelden moeten regelen en in kwesties daaruit voortvloeiende daaromtrent berichten en waarover Europeesche controle zoo zelden en gewoonlijk zoo geheel onvoldoende is.

Ernstig zijn de gevallen die aan de onderzoekingen van