is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (1e deel) [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

476

het gevolg moet wezen. In één woord, hij maakt het onze bevelvoerders gemakkelijk, die op het hun bekende terrein en binnen het bereik van hunne macht, slechts naar de wapenen hebben te grijpen, om terstond met den vijand handgemeen te worden. Verre tochten, zware, buitengewone, dagen lange vermoeienissen, ontbeeringen, kampeeren in ongezonde dreven, dat alles wordt de onzen gespaard; zij hebben alleen hunne dapperheid te vertoonen en daaraan heeft het bij onze officieren en soldaten nimmer ontbroken, zooals thans weder voor den duizendsten maal is gebleken.

Laten de Atjehers nog meermalen aanvallen beproeven, zooals die van 4 April, en laat onze legermacht die aanvallen zoo kloek afweren als thans en wij zijn overtuigd dat zij, de Atjehers, meer dan ooit tot de overtuiging zullen komen, dat zij voortaan niets ernstigs tegen de Companie kunnen ondernemen, evenmin als de overige volken van den Indischen Archipel.

Naar aanleiding van het verkoopen der Fransche kroonjuweelen deelt een Indisch oud-gast aan de Arnhemsche Courant mede, dat, onder de rijkssieraden van Bandjermassin, die bij de inlijving van dat rijk bij Nederlandsch Indie zijn overgegaan aan het gouvernement, zich een ruwe diamant bevond van ongeveer 70 karaat. De Gouverneur-Generaal zond dien in 1862 aan het ministerie van koloniën.

De Minister van binnenlandsche zaken wilde het edelgesteente plaatsen bij de gelijksoortige voorwerpen in het Museum van Natuurlijke Historie te Leiden. Vroegere pogingen om de stukken goud uit Aruba, daarin tentoongesteld, te stelen, deed den Minister aan den directeur, dr. Schlegel, vragen, of er voor den Borneoschen diamant maatregelen van voorzorg tegen diefstal te nemen waren ?

De directeur bracht in het midden, dat het voor eene weten-