is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men dit meisje, wier waanzinnigheid het gevolg is van een ongeregeld leven, in plaats van haar bij hare komst in het midden van nog krankzinniger wezens te werpen, en haar dus, om zoo te zeggen, met den stempel van een gekkenhuis te brandmerken, van verstandige en zorgdragende menschen moest omgeven, die hare, misschien meer verwarde dan verloren, geestvermogens door denkbeelden van orde, van eerbaarheid en van rust konden herstellen? Maakt gij het

besluit op dat zij volstrekt waanzinnig moet wezen, omdat men haar als zoodanig hier heeft gebracht. Moet dan de cipier, die een gevangene ontvangt, uit het bevel van opsluiting opmaken, dat de gevangene geen onschuldige is?

o Mijnheer, welk een edel beroep oefent gij uit! Gij schenkt het verstand terug aan hen die het verloren hebben: gij wekt de dooden op, want gij roept de ziel des menschen in het lichaam des diers terug: maar welk een zorg moet zulk een beroep veroorzaken aan een verstandig en bedaard man als gij! ... . Welk eene teedere en moeielijke studie moet dat wezen, en hoe is het niet te vreezen dat hare moeielijkheden den geneesheer, die haar uitoefent, eindelijk zullen afschrikken en verharden! 't Geen ik u zal zeggen is misschien niet het gevoelen van een bedaard mensch, die zijne zenuwen meester is, zooals men in uw land het geluk heeft dat te wezen; maar, zoo ik hier niet iets van mijn verstand heb achtergelaten, dan geloof ik niet dat de ongelukkige, die wij zoo even gezien hebben, geheel en al krankzinnig is, en ik houde het er vast voor, dat het gezelschap, hetwelk gij haar gegeven hebt, haar zonder herstel van haar verstand zal berooven . . . ."

De docter gaf slechts een antwoord op al deze vragen, die ik met voordacht bij tusschenpoozingen had uitgesproken, ten einde hem tot het uiterste te brengen. Wij waren beneden aan den grooten trap gekomen, die het gebouw in twee afdeelingen verdeelt. Hij bood mij de hand, volgende de goede Engelsche gewoonte, en zeide: „There is nothing more