is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 16, 1887 (2e deel) [volgno 3]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

97

„Uit deze cijfers blijkt dus volstrekt niet," volgens het verslag, „van eenige abnormale vermeerdering van den specievoorraad, wat onvermijdelijk het geval zou moeten zijn, indien de berichten juist waren, die nu en dan in de dagbladen voorkwamen, omtrent den invoer op Java of de andere eilanden tot het Nederlandsch-Indisch gebied behoorende van in China of Indie aangemaakte guldens of rijksdaalders van gelijk gewicht en gehalte als de Nederlandsche muntwet voorschrijft, eene operatie waarmede bij de zilverprijzen, die in het afgeloopen jaar hebben gegolden, eene winst van dertig percent en meer te behalen ware. Het behoeft natuurlijk geen vermelding, dat dit onderwerp onze aandacht en die van onze agenten onafgebroken heeft bezig gehouden, en dat men er bij voortduring op uit is geweest, om na te gaan of zich in dit opzicht ook iets verdachts bij onze kassen voordeed; maar het eenige, waarop men gestuit is, was één bij het agentschap Makassar aangehouden rijksdaalder van twijfelachtig allooi, welk stuk door ons ter beoordeeling aan het muntcollege te Utrecht gezonden en aldaar bevonden werd valsch te zijn."

De heer Van den Berg handhaaft dan ook geheel hetgeen hij in zijn vorig verslag heeft aangevoerd over de mogelijkheid van het gevaar van het in omloop komen van heimelijk aangemaakte zilveren standpenningen. Hij geeft het volgende twaalfjarige overzicht van den specievoorraad der Bank, met

de daarbij gevoegde opmerkingen :

1875/76 / 27.837.000 1881/82 ƒ 28.063.000

1876/77 „ 23.686.000 1882/83 „ 27.140.000

1877/78 „ 31.108.000 1883/84 „ 24.000.000

1878/79 „ 33.397.000 1884/85 „ 23.557.000

1879/80 „ 32.009.000 1885/86 „ 27.440.000

1880/81 „ 30.535.000 1886/87 „ 29.189.000

„Dit overzicht getuigt van zeer opmerkelijke afwisselingen, want in den tijd van twee jaren (van 1876/77 tot 1878/79) steeg onze gemiddelde zilvervoorraad met ongeveer 10 millioen

7

II.