is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 17, 1888 (1e deel) [volgno 4]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

208

de schande bespaard, nog langer zulke misbruiken te beschermen."

De anti-slavery-mannen maken zich, in volslagen onkunde van de maatschappelijke eischen in landen waar de bevolking nog op lagen trap van beschaving staat, ten opzichte van slavernij en tuchtiging aan den lijve, dikwijls schuldig aan eene doordrijverij, die meer kwaad dan goed sticht. Men herinnere zich, hoeveel valsche beschuldigingen indertijd zijn ingebracht tegen de Transvaalsche Boeren in zake de zoogenaamde ingeboekte kafferkinderen, reeds jaren en jaren nadat de Transvaalsche regeering dat stelsel had gezuiverd van alles wat naar slavernij zweemde. Een lichaam als de Anti-slavery-society, dat, zooals men verwachten mocht, op de hoogte moest zijn van toestanden die zij be- en veroordeelde, zag hare adressen beantwoord met een openbaar schrijven van Sir Wilfrid Lawson, waarbij deze £ 10 uitloofde aan ieder die een geval aanwees, waarin van de vrijmaking van een slaaf in de Transvaal sprake had kunnen zijn.

Men moet niet zoo hard veroordeelen wat men niet volkomen kent. Het is voor den Europeaan niet zoo gemakkelijk toestanden in verre landen te beoordeelen; hij laat zich leiden door eene theoretische philauthropie, hij hoort een

enkel hard geval en zijn oordeel is gereed. Wij hebben

ons niet aan die fout willen schuldig maken; want het is ons zeer goed bekend dat er zelfs zeer beschaafde en zeer humane menschen zijn, die de afschaffing der lijfstraffen in onze overzeesche bezittingen als onvoorzichtig en ontijdig betreuren.

Bij de internationale regeling der Kongo-aangelegenheden had de „quaestie" eenen stap nader tot hare oplossing gebracht kunnen worden, meent de heer Dozy. Het komt mij voor, dat de zaak op de Berlijnsche conferentie niet anders behandeld had kunnen worden dan geschiedde; want de artt. 6 en 9 van de Aetejgénéral bevatten bepalingen