is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 17, 1888 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

27

konden inwinnen. Na eenige oogenblikken toevens, kwam er een koerier van Djokjokarta, met een dépêche voor den resident van Solo belast. Deze zeide ons dat de prinsen Mangko Boemie en Diepo Negoro, twee der voogden van den minderjarigen sultan, gedurende den nacht Djokjokarta verlaten en in eene dessa om de west de wijk genomen hadden. Dat gisteren in eene schermutseling een Europaan het leven verloren had; dat de tolpost te Brambanan (de eerstvolgende verspanplaats) verlaten was, en dat er veel beweging was op den weg aan de andere zijde van die plaats. Deze berigten, hoe weinig inlichting dezelve ons ook omtrent de ware toedragt van zaken gaven, want het geheel was ons een raadsel, strekten echter weinig om ons gerust te stellen. Wij oordeelden het waarschijnlijk, dat een van de eerste maatregelen der rebellen zijn zou, de gemeenschap tusschen Djokjokarta, Solo en Semarang te onderscheppen; dat het verlaten der Chinezen woningen eene menigte slecht volk op de been zou brengen, om zich aan het plunderen over te geven. Wij waren volstrekt ongewapend, en hadden niets dan onze wandelstokken bij ons. Indien wij aangevallen werden zou het ons, in een rijtuig, evenmin mogelijk zijn ons door de vlugt te redden als ons tegen de lange pieken der Javanen te verdedigen. Te minder daar de steile oevers der rivieren, daar waar de bruggen vernield waren, den overtogt zeer moeijelijk en langzaam maakten. Bovendien moesten wij verwachten te Djokjokarta veel drukte en verwarring te vinden, en met den resident in het fort opgesloten te zullen worden, waardoor wij anderen slechts in den weg zouden zijn, en ook het doel onzer reis toch zouden missen. Deze alle waren zoovele redenen om ons aan te sporen tot terugkeering, waartegen geenzins op kon wegen het verlangen hetwelk ik voor mij gevoelde, van meer nabij getuige dezer gebeurtenissen te zijn; noch de vrees van uitgelagchen te zullen worden, indien het bij de uitkomst kwam te blijken dat de zaak van geen zoo ernstigen aard was. Terwijl wij bezig waren hierover te raadplegen,