is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 17, 1888 (2e deel) [volgno 4]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

176

van den domine Henzy trouwde en eerlijk bericht, dat hij bij haar vier kinderen verwekte, maar over zijne verdere levensomstandigheden het stilzwijgen bewaart.

Soortgelijke lotgevallen als Tappen had zekere Christoffel Schweitzer uit Wurtemberg en daar ook zijn diensttijd van 1675-1683 met die van den voorgaanden samenvalt, kunnen wij omtrent zijne reisbeschrijving heel kort zijn. Ook hij viel den ronselaars in de handen, vertrok als soldaat en werd eerst als pikenier in Batavia en later op Ceylon in garnizoen gelegd en in de laatsten tijd „bij de penne" gebruikt als assistent en waarnemend boekhouder. Schweitzer zoude bij langer verblijf stellig eene goede loopbaan gemaakt hebben, maar hij scheepte zich na afloop van zijn diensttijd, niettegenstaande hij in Colombo een goed leven had, op 5 Januari 1682 op de fluit „Wester-Amstel" in en bereikte den 2 September Amsterdam, alwaar hij de bescheiden som van ƒ106 die hij nog te goed had, in ontvangst nam en naar Wurtemberg vertrok.

IV.

Eeeds in het jaar 1678 was de O.-I. Compagnie door Petrus Hartzingh, „ Hof en Berghraad syner Hoogh-Vorst!ijke Doorlughtigheid van Brunswijk en Lunenburgh" op de Sillidaische goudmijn Tambang op Sumatra's Westkust opmerkzaam gemaakt geworden en wel in een uitvoerig „ tractaat" van 12 kapittels, geteekend te Amsterdam 12 Juli van evengemeld jaar, waarin hij der Compagnie eene jaarlijksche winst van eenige millioenen voorspelde. Dientengevolge besloten de Heeren XVII deze mijnen te doen ontginnen en engageerden in 1680 den Keur-Saxischen berg-hoofdman B. Olitsch met het noodige personeel voor dit doel. Daaronder bevond zich