is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 17, 1888 (2e deel) [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

248

V. een brief van den adjunct-djaksa te Buitenzorg, waarin deze zijn hulp inroept om door middel van den regent van Serang eene betrekking aldaar te krijgen;

YLIL een brief van de Eadhen Ajoe van den regent van Pandeglang, waarin zij hem om geld vraagt;

IX. den reeds hierboven aangehaalden brief van den patih van Lebak;

XI. een brief van hadji Mohammad Oemar, gepensionneerd patih van Serang, waarbij deze hem kennis geeft dat er ten zijnen aanzien lasterlijke praatjes hebben rondgeloopen; dat de regent van Serang daarover geïnterpelleerd is door den resident, dat de regent zijne partij heeft getrokken, doch dat het goed zou zijn, wanneer hij terugkwam, de bewijzen mee te brengen dat hij werkelijk de zoon is van den sultan van Bantam die te Soerabaja gestorven is;

XII. een brief van Eaden Hadji Eatoe Siti Aminah van dezelfde strekking. (Wij toonden hierboven reeds aan dat Sabidin door haar schoonzoon Djaja Koesoemah als Pangeran Timoer was voorgesteld en zij dus in hem niemand anders kon zien);

XVI. een brief van den regent van Serang, hem onder aanbieding van excuses verzoekende als hij weerkomt de bewijzen mee te brengen dat hij werkelijk een zoon van den sultan van Bantam is. De regent beweert dezen brief in overeenstemming met den resident geschreven te hebben om achter de waarheid te komen.

De overige bij Sabidin gevonden documenten waren zonder de minste beteekenis.

Uit een en ander zou kunnen blijken dat in die eene zaak eigenlijk de eenige schuldigen zijn geweest de gepensioneerde en sedert overleden patih van Lebak Djaja Koesoemah, en diens sedert ook al ontslagen opvolger Toe Bagoes Djaja Eadja, maar tevens dat het een met meer eerzucht bezield inlander met de capaciteiten van een Sabidin niet veel moeite zou gekost hebben om zich onder de leden der Sultansfamilie en