is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 18, 1889 (1e deel), no 1

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tion of India, een uitspraak die het duidelijk maakt hoe hij er toe komt om van de plundering van Indie te spreken, „is only the growth of her loss. The greater the faeilities, therefore, for the movement of produce, whether by roads, railways, or otherwise, and the larger the volume of trade, the loss is only the greater."

Kan het noodig zijn in eene opzettelijke wederlegging te treden van drogredenen als de hier aangehaalde, die den heer Connell zelfs verleiden tot het in vollen ernst voordragen van de stelling, dat bijaldien de invoer van katoenen goederen en de uitvoer van graan eensklaps kon gestaakt worden dit voor de bevolking van Indie in het algemeen een wezenlijke weldaad zijn zou. („If the import of cotton to India, and the export of grain from India ceased to morrow the Indian people would be the gainers" J) ? Wat zijn dergelijke beweringen anders dan eene volslagen miskenning van den aard en het wezen van den buitenlandschen handel en van zijne beteekenis voor het volk in zijn geheel? Is het een nadeel voor een land wanneer zijne bevolking door vermeerderde inspanning eon grootere hoeveelheid uitvoerbare producten uit den bodem weet te voorschijn te roepen ? Brengt productiaverbetering den ingezetenen in het algemeen geen voordeel meer aan, en sedert wanneer is het een onrecht geworden om allen te doen deelen in de uitgaven, waartoe de Staat verplicht is ten einde het land een passende plaats in het internationale ruilverkeer te doen innemen? Hoe kan het tot schade van den landbouwer strekken wanneer hem nieuwe markten voor zijn producten geopend worden, en met welk recht mag men van berooving van het volk spreken, waar niemand gedwongen wordt om zich, zooals elders wel voorkomt, tegen onevenredige prijzen te ontdoen van de producten, die het buitenland vraagt in ruil tegen

1) Connell, The economie revolution of India andthepublic works policy; p. 53.