is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 19, 1890 (1e deel) [volgno 4]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

196

voerd: het afnemen van een anderen eed dan den, als tot het genootschap behoorenden, bij den registratie-ambtenaar opgegevene, het opleggen van andere verbintenissen, het aanwezig zijn van andere banieren of symbolen enz., dan de voor het genootschap geregistreerde.

De straffen, welke op het bijwonen van clandestiene vergaderingen gesteld waren, vinden wij in art. 11. Ieder, die een onwettige vergadering bijwoonde, werd gestraft met een boete van hoogstens 100 dollars of gevangenis gedurende hoogstens zes maanden met of zonder dwangarbeid, of met beide straffen in combinatie, ter beoordeeling van den rechter.

Verder werd ingevolge art. 12 gestraft met een boete van hoogstens 500 dollars of gevangenis, met of zonder dwangarbeid, gedurende zes maanden of tot beide straffen in combinatie, ter beoordeeling van den rechter, ieder, die desbewust toeliet, dat een onwettige vergadering gehouden werd in het door hem bewoond huis, of in eenig gebouw, waarover hij de beschikking had.

Voor botsingen en vechtpartijen van leden der genootschappen en corps, voortvloeiende uit geschillen, welke de vereenigingen met elkander mochten hebben, waren ingevolge art. 13, de genootschappen als lichaam verantwoordelijk en strafschuldig.

Het bedrag van in zulke gevallen op te leggen boeten, werd beheerscht door verschillende omstandigheden, als: de aangerichte schade aan eigendom van derden enz., en ten opzichte daarvan, zoowel als van de te volgen procès-orde, vinden wij voorzieningen in de art. 14 t/m 25, waarover ik, als meer in het bizonder betrekking hebbende op de rechtsbedeeling, niet zal uitwijden. Alleen zij nog aangeteekend, dat bij niet-voldoening der beloopen boete uit de kas van het genootschap, zijn eigendommen, en wanneer deze niet toereikend bleken, die van eenigen leider, functionaris of lid, naar de keuze van den rechter, voor het