is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 19, 1890 (1e deel) [volgno 4]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

233

de uitvoerder van den wil van de meerderheid der bevolking, die in „'s lands vergaderzaal" bijeenkomt, om de hangende quaestie te behandelen.

In iedere kampong heeft men namelijk een soort van raadhuis: „baleih" of „soppo", zooals men ze noemt. Het is een gebouw, dat alleen van boven gedekt is; aan de zijden is het aan alle kanten open en slechts van eene borstwering voorzien, die een voet of drie boven den vloer verheven is, zoodat men een vrij uitzicht naar buiten heeft.

Hier wordt „vergaderd" en geredeneerd, op eene wijze, zooals men het bij deze natuurmenschen misschien niet zou verwachten.

De Battak is een geboren redenaar, die uren lang kan praten en toespraken houden, zonder dat hij er genoeg van krijgt. Hij zal nooit iets in drie woorden zeggen, wanneer hij kans ziet, er veertien of twintig te gebruiken. Een hunner amusementen w, -om 's avonds bij de stookplaats in hunne huizen groote discussies te houden en elkaar met spitsvondige vergelijkingen of logische gevolgtrekkingen vast te zetten.

Behalve van praten, houden zij echter ook veel van eten, veel en dikwijls, terwijl zij hierbij niet bijzonder kieskeurig zijn, wat betreft soort of ouderdom van het vleesch, dat zij gebruiken. Zij lusten alles, al hebben zij dan ook hunne voorkeur voor sommige spijzen.

Of zij het tegenwoordig nog doen, durf ik niet zeggen, doch het is zeker, dat zij in vroegere dagen ook van menschenvleesch niet af keerig waren. Toch is het zeer de vraag, of dit werkelijk het gevolg was van hun „smaak" in menschenvleesch, dan wel of het alleen een uitvloeisel was van hunne „adat", overlevering van vroegere wetten en gebruiken, waarbij aan sommige vonnissen verbonden was, dat de misdadiger of delinquent werd opgegeten; misschien wel omdat deze consumtie ten gevolge had, dat eene fatsoenlijke begrafenis onmogelijk was en dit werd natuurlijk als