is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor Neerland's Indië jrg 19, 1890 (1e deel) [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

337

king, onderwerpelijk wel het gewenschte voordeel zal aanbrengen en of niet alléén de amfioenpacht daarmede zal worden gebaat" l).

De redeneering van den Directeur der kultures, in bovengenoemd rapport vervat, komt in hoofdzaak neer op het volgende.

Hij acht het onbillijk dat de betaling aan de bevolking afhankelijk gemaakt worde van den marktprijs. Naar zijne meening — welke gedeeld wordt door „de ambtenaren die hun advies (ter zake) hebben uitgebracht" — moet aan de betaling het denkbeeld van arbeidsloon gehecht worden.

Van dit standpunt maakt de Directeur eene berekening, waaruit blijken moet dat de aan de bevolking betaalde prijs voldoende te achten is. Maar ook andere argumenten dan cijfers brengt hij te berde:

„Door de afschaffing der bazaar-geregtigheid [heeft] het Gouvernement zich eene aanzienlijke geldelijke opoffering laten welgevallen, ter bevordering van de welvaart der bevolking;

„de tegenwoordige betaling van f 10.— koper [is] nu ongeveer 22 jaren behouden gebleven, niettegenstaande de marktprijs in de laatste jaren meer dan f25.— koper per pikol heeft bedragen: weshalve de bevolking, aan den prijs gewoon geraakt, vreemd zal opzien als zij plotseling 200 duiten per pikol meer ontvangt."

Voorts voert de Inspecteur nog aan, dat, indien nu de prijs verhoogd werd, de bevolking eventueele latere vermindering „nog bedenkelijker zal gadeslaan;"

dat de zucht om naar koffiestreken te verhuizen, na verhooging van den prijs, nog meer zal toenemen, au détriment van de andere gouvernementscultures;

en dan: „met het oog op de belangen der schatkist, de

1) Een potloodaanteekening in margine op deze plaats luidt: „het ideaal zou dan zijn om haar niets te geven"

I 32