is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden, voor den jare ..., 1873, 01-08-1873

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

720

Mengelwerk.

ken" zeide hij. „Collega Periodeut zou meenendat, jaloerschheid mij opwekte kritiek te leveren."

Zoo wordt menigmaal de man, die vriendenraad hoog noodig keeft, buiten de gelegenheid gesteld een goed woord op zijn tijd, noodig ter leering en waarschuwing, te hooren. 't Gebeurt zoo zelden, dat vrienden, die feilen toonen, op eens anders hart een groot vermogen uitoefenen.

ïle onderwijzer in netreUUing tot zijne dorpsgenooten.

Groot zijn de eischen , die men in onzen tijd stelt aan den onderwijzer der lagere school. Hij moet zijn een man toegerust met veelzijdige en grondige kennis; hij moet zijn een ontwikkeld menscb, een man van karakter, een braaf man: hij moet geschiktheid, lust en liefde hebben voor zijn

vak; hij moet Maar ik zal niet voortgaan met eene

optelling van eischen, die men hem doet.

Op één eisch echter, die zelden op den voorgrond geplaatst , ja, wel eens uit het oog verloren wordt, wensc» ik de aandacht te vestigen, namelijk op dezen, dat hij de kunst verstaan moet om met menschen om te gaan. Dat noem ik eene kunst, 't Is zoo, die kunst schijnt sommigen aangeboren te zijn. Of zijn er niet, die zich onder verschillende standen zoo gemakkelijk bewegen, dat het den schijn heeft i alsof bun die gemakkelijkheid van nature eigen is ? In die" schijn ligt eenige waarheid. De aanleg voor hef verkeel met menschen bezitten sommigen in ruimere mate dan an' deren, maar bij een ieder moet die aanleg door opvoeding > nadenken en ondervinding ontwikkeld worden. Ook in d>