is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding, voornamelijk met betrekking tot de lagere scholen in het Koningrijk der Nederlanden, voor den jare ..., 1871 [volgno 3]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mengelwerk.

vast op rekenen, dat B. ter school geen aanstoot zou geven aan andersdenkenden, maar zich alleen toelegde op het aankweeken van godsvrucht en deugd. Hij ondervond dan ook in dezen hoegenaamd geen klachten, al verschilden zijne medeburgers in denkwijze zeer van elkander en van hem. Zoo wist B. de goede verstandhouding steeds te bewaren en het vertrouwen op de school aan te kweeken, opdat er te huis en ter school op de beste wijze en eenparig werd gewerkt aan de vorming en opvoeding zijner leerlingen.

Juist daar, waar hij in dit opzicht zulks het meest noodig achtte, bracht hij opzettelijk bezoek, en deed hij zijnen invloed gelden. Hij bemoeide zich ook met de behandeling der kinderen vóór en na de schooljaren, en gaf aan ouders en anderen, die er aan werkten, zooveel mogelijk raad en terechtwijzing, naar mate de omstandigheden dit vordenden en gedoogden.

Zoo, altijd en overal werkzaam aan zijn gewichtige roeping , stichtte hij veel nut, werd er recht bekwaam in, zag er gezegende gevolgen van en werd zóó algemeen bemind, dat er weinig oogen droog bleven, toen B. vertrok om zijne nieuwe betrekking in het naburige Y. te aanvaarden. Hoe het hem daar ging, zullen wij later vernemen.

Toen A. hem te Z. als onderwijzer opvolgde, hoorde hij ieder met grooten ophef spreken van zijn voorganger, en men voegde er gulhartig den wensch bij, dat het hun met A. evengoed mocht bevallen als met den goeden B. Dit hinderde A. veel meer, dan hij durfde zeggen. Hij nam dit op, als wantrouwde men hem, dat hij minder goed zou zijn dan zijn voorganger. Hij was in zijn hart zoo naijverig, dat hij zich niet kon vereenigen met den lof, dien men B. toezwaaide. Was men vrij genoeg, hem vertrouwelijk mede te deelen, hoe goed zijn voorganger in het een of ander