Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELOVERZICHT

jaren na te gaan, zal men tot de conclusie komen dat het grootste deel daarvan niets, totaliter niets met „beschavingsmacht" heeft te maken, maar alleen amusement is, en dit weer voor een deel van niet zeer hooge orde. Zou de Bond van Ned. Tooneelschrijvers dit nu heusch zelf niet weten? Men zou het haast denken, waar het Bestuur de moeite neemt, zulk een vraag, waar het antwoord zóó van klaar ligt, in rondvraag te gaan brengen. Het is vragen naar den bekenden weg. Nummer vier der vragen luidt: „Welke voorwaarden moet de overheid stellen voor het verleenen van subsidie?" Juist hierop zou het antwoord moeten zijn: ,,op voorwaarde dat het „beschavingsmacht" toone te hebben". Subsidieert de overheid voorstellingen, waarvan een groot deel niets dan amusement is, dan is er eigenlijk geen reden, waarom zij ook niet bioscoop-ondernemingen zou subsidieeren. Het zou een verrassend resultaat opleveren, uit de repertoires van de voornaamste gezelschappen een lijst van de stukken op te maken die wèl „beschavingsmacht" (ik gebruik dit woord alleen omdat het in de enquête-rondvraag gebruikt wordt) hebben, en ook een van die, welke louter amusement zonder méér zijn. Als de tooneeldirecties dan bovendien nog eens wilden opgeven, met welke soort stukken de hoogste recettes zijn gemaakt, zou de uitkomst hoogstwaarschijnlijk op een bedroevend laag peil van tooneel-ontwikkeling van het Nederlandsche publiek wijzen, dat op muziekgebied zoo verblijdend veel verder is. Ik merk hier, voor alle zekerheid, bij op, dat ik paradepaard-stukken met veel theatraal poeha en rinkelende bravoure als „1'Aiglon", „Cyrano de Bergerac", „Madame Sans-Gêne" enz. óók niet tot de stukken reken met „beschavingsmacht".

De lezer zal er, hoop ik, achter zijn dat de bovenstaande beschouwingen zich eigenlijk meer keeren tegen het geschreeuw met groote woorden als „beschavingsmacht" dan tegen het repertoire dat Tooneeldirecties vaak, om behoorlijke recettes te maken, half gedwongen zijn, een publiek zonder tooneel-ontwikkeling voor te zetten. Zij zouden hoogstwaarschijnlijk óók liever uitsluitend stukken van hooge kunstwaarde opvoeren. Hier zou ik echter op een onderwerp komen dat ik thans nog niet wil behandelen.

Ons land is in de laatste helft van November bezocht door een Fransch tooneelgezelschap, het Theatre Ambulant de la Petite Scène, dat hier totnutoe onbekend was. Daar ik de Principes er van ook van gewicht vind voor Nederlandsche tooneel-toestanden en -evoluties, laat ik er eenige van hieronder volgen, en wel in den origineelen Franschen tekst, opdat er in vertaling niets verloren ga:

Sluiten