Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN GOTTINGEN NAAR BE IJARTZ. n6"5

wapend had; doch dit zelf verfcbafte mij het vermaak van een der voordeelen dezer woningen op te merken, te weten, dat zij zeer warm zijn. Dit befpeurde ik aan den damp, die de kleine venlters verdonkerde, en aldaar de plaats van gordijnen vervuld.;. Dit herinnerde mij de kleine huizen, ook van hout gemaakt, in r.udere landen, die ik dikmaaals zeer koud had gevonden, en deed mij het groot voordeel van kagchels opmerken , om dezelve te verwarmen. In landen, alwaar men er minder aan gewoon is, is men er tegen, omdat zij de lucht minder ververlchen. ik weet niet, in hoe verre dit in 't algemeen gegrond zij* maar in dit bijzonder geval doet het veel nut. Ligt opgeilagene huizen van leem of hout, alwaar duizend openingen doortogt aan de lucht geven, laten zich door haardvuur bezwaarlijk verwarmen. Dikmaals gebeurt het zelfs, dat hoe fterker het vuur zij, het er kouder is, uit hoofde van den togt, die aan alle zijden indringt. De kagchels, daar en tegen, verfpreiden eene eenparige warmte, die, het evenwigt der lucht zeer weinig verbrekende , flechts een tragen, doch genoegzamen Aroom veroorzaakt, om dezelve te vernieuwen , maar niet om die als eenen vloed te doen doorgaan, welke drie vierde deelen der warmte medevoert; en in de huizen, waarvan ikfpreek, heeft men niet te vreezen dat de lucht zal ftilllaan; derzelver maakfel geeft haar te veel toegangs. Dat men liever haardlledcn dan kagchels heeft in de huizen, wier muren dik, de venfters en deuren wel gefloten, de reten met zelfkanten zijn geflopt; alwaar, om kort te gaan, het geld alles toeflopt; 'dit kan voorzigtig zijn. Maar in onze kleine huizen, alwaar de fchaaf des fcbrijnwerkers zeer weinig, maar de bijl des timmermans bijkans alles doet, verkies ik geenen ventilator hoedanig een fchoorlleen is. * Van hier, dat ik het gebruik van kagchels, voor de laatstgemelde huizen, als zeer heilzaam befchouw. Het voorkomen der bewoneren heeft men flechts gade te flaan, om overtuigd te zijn, hoe wel zij het er hebben. Zoodanig zien zij er niet uit in de hutten met haardfteden; in den winter fchijnen zij van de koude verftijfd te zijn; eene verwisfeling tegen de kachels ware, dunkt mij, voor hun een gewigtjg dienstbetoon. Niet flechts met hout, maar, gelijk bekend is, ook met fteenkolen, kunnen zij geftookt worden.

R 5 Hoe»

Sluiten