Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

332 ANECD0TR RAKENDE PASCAL»

wat men u verfchuldigd is, opdat gij u niet vermeet, zaken van de menfchen te vorderen, welke zij u niet fchuldig zijn; want dat is eene handtastelijke onregtvaardiglveid, die ondertusfehen onder lieden van uwen ftand zeer gemeen is, omdat zij van derzelver natuur onkundig zijn."

' „ Er zijn tweedenet grootheden in de wereld: men heeft vastgeftelde grootheden en natuurlijke grootheden. De vastgeftelde grootheden hangen af van den wil der menfchen, die met reden geoordeeld hebben, dat zij zekere (tanden behoorden te vereeren, en aan dezelve zekere eerbewijzen hebben vastgehecht. Van deze foort zijn hooge waardigheden en de adel. In het eene land eert men de edellieden, in het andere den burgerlijken Hand; in het eene de eerstgeborenen, in het andere de jongde zonen. Waarom? Omdat het den menfchen dus' beliefd heeft. Voor de vastftelling was het eene onvcrfchillice zaak; maar nu is het een pligt SewJ^~ den, omdat het onregtvaardig is deze orde itoieiu^ natuurlyke grootheden zijn die, welke van de o-rillighcden der menfchen niet afhangen; want zij beftaan in de wezenlijke en werkzame hoedanigheden van de 'ziel of van het ligchaam, welke de eene en het and-re meer achtenswaardig maken: zoodanige zijn kundigheden, verlichting, gezond verftand, gezondheid,

fterkte." ... ,., .

, Aan beide deze grootheden zijn wij iets verlchuidigd: maar gelijk zij van verfcheidene natuur zijn, zoo hebben wij aan dezelve ook vcrfchillende foorten van eerbied toe te dragen. Aan de vastgeftelde grootheden zijn wij vastgeftelde eerbewijzingen verfchuldigd: dat w'il zeggen, zekere plegtigheden, die echter, gelijk wij hebben aangetoond, behooren gepaard te gaan met eene inwendige erkentenis van de regtmatigheid dezer orde, zonder dat wij daarom eenige wezenlijke hoedanigheid behoeven te erkennen in degenen, welke wij op deze wijze vereeren. Tegen Koningen fpreekt men geknield; in'de kamer van Prinfcn blijft men overeind daan: het is eene dwaasheid e« laaggeestigheid, hun deze pligtplegingen te onthouden."

„Maar wat aangaat de natuurlijke eerbewijzen,/"j" (taande in eene innerlijke hoogachting; deze zijn ken verf'chuidigd aan de natuurlijke grootheden; terwyi

Wij

Sluiten