Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

DROOMER

Zoo liggend voelde hij zich kunstkenner, „Connaisseur".

Even verdreef dat den weemoed; dan kwam hij weer terug.

Hij bezon zich iets verloren te hebben, wist toch niet meer wat het was. Een zelfden weemoed als hij eens wel had begrepen, of meenen te begrijpen in Leonoor, vermocht hij nu niet te verstaan in zichzelf.

Toch was dit het begin geweest van weder ontwaken. Het leven, het louter materieele, ongeestelijke had hem teleurgesteld. Het had zoo mooi geschenen toen hij er voor had gestaan, het nog niet kennende; toen het als een tweede sprookjeswereld, minder fijn wel dan die zijner jeugd, maar kleuriger, voor hem was opgerezen.

Nu deed eindeloos verlangen, nog onbegrepen, maar groeiend, hem zich bezinnen.

Hij was in die jaren maar eens naar Holland geweest, bij den dood zijner moeder. Ze was plotseling gestorven; hij had den Haag weer den rug toe gekeerd, vol zelfverwijt, om zijne ontrouw. Het eens zoo heerlijke den Haag, dat nu alleen nieuw verdriet op de herinnering aan het oude leed had gestapeld. Den Haag had toen veranderd geschenen.

Hij had ook nu weer niet zich rekenschap kunnen geven wanneer precies de verandering in zijn denken volkomen was geworden.

Was het op een zachten herfstnamiddag, verleden jaar, toen hij — het was Zaterdag — zoo wonderlijk ontroerd, gewandeld had, onder de bronzen en purperen bladerpracht der boomen van het „Bois". Toen hij vervuld geworden was van eenderen weemoed als het stille stervend bosch?

Hij had toen, terwijl hij langs den roerloos gladden vijver wandelde, zoo duidelijk de voosheid van zijn opgeschroefde denken, zijn dor illuzie-looze leven, aanschouwd. Hij was toen zich klaar bewust geworden van zijn belachelijk zelfbedrog, dat hem dwong te leven tegen zijne natuur in van vroom idealist, die hij diep-innerlijk toch was. Hij voelde toen ook de onmogelijkheid zijne ziel in zich te dooden, om vrij van zieleleed te zijn.

Sluiten