Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE BEDROGENE

61

De oude man poogde door alle mogelijke woorden en handelingen den hond te bewegen verder te gaan. Hij streelde en duwde het beest, dat daar met geheel verregende, natglimmende huid en hangende ooren, als een dierlijk evenbeeld zijns meesters stond, zonder dat deze echter de geringste beweging erin vermocht te brengen. Eindelijk gaf de man zijne vergeefs blijkende pogingen op en het dier voorttrekkende aan een touw, dat hij het om den nek gebonden had, ving hij den terugtocht aan.

— Waarom huilt die hond? vroeg ik verbaasd, zonder mij bijna bewust te zijn tot wie ik sprak.

— De stormwind waait hem onze zielen en onze ziekten toe! lachte de vrouw.

Ik zag haar aan, zooals zij daar stond onder het heftig heen-en-weêr gerukte, fladderende licht van een eenzame lantaarn, dat snelle, vluchtige schaduwen over haar gelaat bewegen deed.

— Ja, ik ben ziek, zei ik peinzend, terwijl ik dacht aan de eenzaamheid van mijn leêge en verloren leven, waarin ik geene liefde had gekend.

— Wij zijn allen ziek, fluisterde zij lachend voor zich heen en ik zag den waanzin in hare oogen vlammen. Wij zijn allen ziek, herhaalde zij, nog steeds lachend. Het leven en de liefde maken de menschen ziek.

— Ben jij ook ziek? vroeg ik verbaasd, terwijl ik haar toch eigenlijk van deze verschrikkelijke gedachte wilde pogen af te leiden.

— Ik heb syphilis, zeide zij zacht en stil, gelaten eensklaps als een kind.

— Huilen daarom de honden? vroeg ik zonder te weten wat ik zeide.

— Niet alle. . . . sommige. . . . aarzelde zij onzeker en ontwijkend.

Ik zag naar deze vrouw, die eenmaal, als klein meisje nog, dat zij toen slechts was, mij door mijn stiefvader als èene pseudo~,,stiefmoeder" was voorgesteld. Opeens herkende ik in haar het leven zooals het was, goed en rein, zooals zij als kind eenmaal moest zijn geweest, ruw en wreed tegelijk, zooals het haar wellicht had gemaakt. Ik

Sluiten