Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VONDEL ALS TREURSPEL-DICHTER

205

Eerst tien jaar later zal Vondel in zijn „Adam in Ballingschap" dit treurspel voortzetten. Kon hij in „Lucifer" zijn fantasie nog den vrijen loop laten, het verhaal van Adam's ballingschap, zijn verdrijving uit het Paradijs, was letterlijk bekend en hij diende zich daaraan te houden. Hoe stralend en liefelijk schidert hij ons dien zaligen staat en dan — sluipend en listig — daarna de wending naar 'smenschen val.

Jephta tenslotte beschouwde Vondel zelf als zijn meest geslaagde treurspel. Hij had daarin de leer der ouden het dichtst benaderd. Het drama van den mensch die tusschen God en zich-zelf geen middelaar erkent, geen priester en die daarom ten onder gaat.

Om op hoogen ouderdom nog drie van dergelijke onderwerpen te durven en te kunnen aanvatten, daar behoort moed toe en méér dan dat: geloof. Want dit, en dit alleen, is toch altijd de drijfveer geweest tot al Vondel's werk, een eigenschap die zich verried in zijn deemoed en in zijn vertrouwen, in den moed tenslotte waarmee hij telkenmale ten strijde trok tegen alles en iedereen die wat hem heilig was belaagde. Het was hem niet te doen — ik schreef het reeds hiervoor — om louter en alleen kunst te geven, zijn treurspelen dienden tot leering der gemeente, wat wel duidelijk blijkt uit het Berecht voor in „Lucifer", waar hij

schrijft: „ op dat wij, hier door gemoedight, Lucifer

met meer yvers ten Treurtooneele voeren, daer hy, endelyck, van Godts blixem getroffen, ter helle stort, ten klaren spiegel van alle ondanckbare staetzuchtigen, die zich stoutelijck tegens de geheilighde Maghten, en Majesteiten, en wettige Overheden durven verheffen."

Sluiten