Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

216

KRONIEK VAN HET TOONEEL

hem er van, zonder werk zijnde een tijdje gratis logies in de gevangenis te willen hebben (niet zeer waarschijnlijk, daar de politie al gauw te weten kon komen dat hij als danseur genoeg verdient), en houdt zich aan de nu eenmaal vastgelegde constateering van den dood van den vermoorde door een val in dronkenschap. En zóó wordt Franzi met een önverlost geweten, dat snakt naar boete en straf, weer heengestuurd....

Tot hiertoe is het stuk, al is de reminiscentie aan Rodion Raskolnikov wel wat al te sterk, aannemelijk, en zou, als voor Franzi een zeer groot kunstenaar als bijvoorbeeld Virouboff van het Moskouer Künstlertheater te vinden ware geweest, grooten indruk hebben kunnen maken. De onder leiding van Prof. Strnad zeer goed gemonteerde, expressieve tafereelen volgen elkaar logisch genoeg op om een explicateur, die er telkens doorheen de stemming totaal van komt verbreken, overbodig en zelfs hinderlijk te maken. Het is of de indeeling van ïMerijntje Gijzen«, met een explicateur telkens na een tafereel, van dit stuk »Peripherie« is afgekeken. De bioscoop heeft al sinds jaren den explicateur afgedankt, en daar komt hij nu waarachtig op het tooneel weer terug! Dat een krachtig, unaniem protest dien vervelenden sinjeur er zoo spoedig mogelijk weer afjage!

Als wij, zooals in een der tafereelen, Franzi met zijn twee kornuiten in de bioscoop zien zitten, waar juist een moordtooneel wordt afgedraaid, en dan Franzi, door dat gezicht hevig opgewonden, onder de obsessie van zijn eigen misdaad, commentaar hooren geven op het geval, en uitkraaien dat er niets van deugt, want dat een lijk heel anders op den grond ligt, is daar heusch geen explicatie voor of na noodig; het spreekt luid genoeg voor zich zelf.

Het is jammer, dat de auteur van het tot 't laatste bedrijf spannende en logisch voortschrijdende stuk, op 't laatst geen raad heeft geweten met Franzi's onbevrijd, önverlost geweten, en er een einde aan heeft gemaakt, dat als verheven bedoeld, maar als belachelijke bombast uitgevallen is. In een der tafereelen was al een zonderling personage voorgekomen, een gewezen rechter, die, beu van het formeele, officieele, op alle gevallen uniform toepasselijke strafrecht, en daardoor ongeschikt geworden voor de rechterlijke macht, aan lager wal en aan den drank is geraakt. Er mag wel bij worden gezegd: en niet zuinig aan het malen en dazen geslagen. Deze half-krankzinnige loopt, door den drank beneveld, al maar door parken en andere openbare plaatsen met een manie om menschen te ontmoeten, die hem een of andere schuld zullen bekennen, en over wie hij dan eens, volgens zijn eigen normen van hooger, goddelijk recht, zal kunnen rechtspreken.

Sluiten