Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DROOM

229

Is de één meer dan de ander?

Als ik met de geit door den tuin loop, verbeeld ik mij dat ik optrek aan het hoofd van een leger — of ik speel dat ik Mozes ben, met de kinderen Israëls in de woestijn.

En als ik insecten verjaag van den frambozenstruik, verdedig ik een rijk tegen den vijand.

Zouden andere menschen wel eens zulke verbeeldingen hebben?

Ik durf het ze niet te vragen. Zelfs aan mijn zusje niet en die speelde nog wel mee, toen ik met mijn staf water sloeg uit de pomp en zij het volk was, dat murmureerde tegen God.

Wat is alles wonderlijk door de verbeelding. Een geit kan een volk zijn en een struik een koninkrijk. Het is maar de vraag wat de verbeelding er van maakt....

De oude schilder, die met zijn vervelooze schilderskist wel eens door het bosch komt, schildert de boomtakken als een soort menschenarmen. „Het is maar de vraag, wat de verbeelding er van maakt," zegt hij.

En toen ik hem daarom verwonderd aankeek, zeide hij: „Domme jongen, alle vorm, waarin zich het leven hult is immers verbeelding!"....

Een hand komt ongeduldig over het boek.

Het is mijn vader. Hij wijst mei zijn vinger de woorden aan: „Is het niet duidelijk?" vraagt hij, „lees het maar eens hard-op voor."

Ik word warm van schaamte. Haastig kijk ik naar de groote zwarte letters en lees:

In nova fert animus mutatas dicere formas Corpora. Di, coeptis (nam vos mutastis et illas) Adspirate meis; primaque ab origine mundi Ad mea perpetuum deducite tempora carmen.

Een pijnlijk gevoel komt in mijn hoofd. Ik tracht den zinsbouw te begrijpen, te ontleden. Maar het gaat niet. Ik schuif het boek terug op de tafel.

„Neen, ik begrijp het niet goed. Het lijkt erg moeilijk." Een duizeling overvalt me. Van heel ver nadert weer dat

Sluiten