Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PROFESSOR

277

Wat beteekende dit alles toch? Het beteekende

beteekende....

Het duurde geruimen tijd, eer haar geest de waarheid wilde, — durfde aanvaarden.

De waarheid was, dat zij èn in Alexander èn in den professor haar „meester" had gevonden, — maar.... anders dan zij in haar zelfinbeelding had gemeend. Haar meesters waren zij; doch niet door liefde wenschten zij haar te beheerschen, — maar door ongevoeligheid, door zich immuun te toonen voor haar invloed, — door zich te verstarren in liefdelooze onverschilligheid....

„Ik zal je gauw genoeg vergeten. Lang duurt 't niet, of 't zal voor me wezen, alsof je nooit had bestaan...."

En Alexander....

Diens woorden hadden haar nog veel dieper gegriefd. Als het goed was geweest, dan had zij dus hém vergiffenis moeten vragen.... en vergiffenis aan dien ander....

Roerloos lag zij, met wijd-open oogen.

Toen, eensklaps braken de snikken uit haar keel. De bij haar zeer zeldzame tranen stroomden brandend uit haar oogen, en zij klaagde, als een zielsbedroefd kind:

Waarom houdt niemand van mij? Waarom zijn zij er zoo op uit, mij te kwetsen en te vernederen, waarom.... waarom?

En toen eindelijk, in diepen deemoed, vond zij het antwoord:

— Omdat ik zelf niet geven kan. Het moet zalig wezen, om te kunnen geven, rijkhandig, in onuitputtelijke gulheid. Het is streelend om te ontvangen, — doch, om gelukkig te wezen.... is dat niet genoeg!....

Door mijn noodlottig gedrag heb ik nu Alexander's laatste reste van liefde verbeurd.

Zijn vluchtige bekoordheid was al lang voorbij. En door hem jaloersch te maken, door hem te toonen, hoe een ander belangstelling voor me heeft, is een stugge, trotsche persoonlijkheid als de zijne niet te winnen

Het is mijn fatum, dat ik niet geven kan

Mijn natuur is daarvoor te egoïst. Altijd zoek ik alleen

Sluiten