Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

316

MODERNE OUDERDOM

dingen verkijken. Want vrij algemeen heerscht de waan, of emancipatie beteekent: het zich verplaatsen in de positie van den voormaligen onderdrukker. De neger meent zich te emancipeeren door den hoogen hoed van den blanke zich op de slapen te drukken. Daarmee is hij geen geëmancipeerde neger geworden, doch de caricatuur van den blanke. De arbeider neemt de allures aan van den burgerman. Daarmee is hij geen geëmancipeerd arbeider geworden, doch de caricatuur van den burgerman. De slavernij is hiermede eerst volkomen geworden.

Zoo is het een waan, dat het geëmancipeerde kind een volwassene in miniatuur-formaat moet zijn. De schooljongen in smoking is een even onooglijke caricatuur als de schooljongen met degen en staartpruik, over wien Rousseau zich ontfermde.

Zelfbevrijding is voor den neger: neger te worden in onbegrensden zin, alle mogelijkheden en idealen van zijn ras te verwezenlijken. Voor den arbeider: een nieuw type mensch te scheppen, dat als tegenvoeter van den bourgeois een oorspronkelijke cultuur in zich belichaamt.

De noodzakelijke fout, waarmee ook de vrouwenemancipatie begon, herhaalt zich thans bij het kind. Nooit heeft de vrouw den man onteerender bewijs van slaafschheid gegeven, dan toen zij in kleeding, manieren, beroep en gedachten den man trachtte na te bootsen. Eerst het volledige vrouw-zijn schonk haar de vrijheid.«

Deze opmerkingen zijn volkomen juist en hier krijgt men den indruk, dat de heer Cannegieter misschien toch niet zoo oud is, als hij zelf denkt en eerst leek. Inderdaad: emancipatie wil zeggen «zichzelf worden», niet «naapen». Zichzelf zijn beteekent voor den arbeider: het ideaal van zijn classe benaderen; voor den neger: het ideaal van zijn ras benaderen; voor de vrouw: het ideaal van haar sexe benaderen. Hierin ligt opgesloten, dat arbeiders met bourgeois-manieren, negers in Europeesche kleêren en vrouwen in mannenberoepen niet geëmancipeerd, maar caricaturen zijn. Hetgeen ook danig in het oog springt bij het gadeslaan van zulke naapers. En met dit naapen is hun slavernij eerst volkomen geworden, waaruit volgt, dat de z.g. «geëmancipeerde» arbeider, neger en vrouw op het oogenblik in de meest volkomen slavernij verkeeren1). En in de meest abjecte, want geestelijke. Dit is, voor wat betreft arbeider en vrouw, door het

*) Want de verleden tijd »schonk« in den laatsten zin van het laatst geciteerde stuk is m.i. wel wat voorbarig. Gelijk aan het begin van dezelfde alinea het adjectief »noodzakelijk«. Maar dit zijn betrekkelijke kleinigheden in het verband.

Sluiten