Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AFSPRAAK

Freerik een standje kreeg, omdat hij niet op tijd weer aan het werk was gegaan, van den jongen patroon, die juist gekomen was. Zij liepen het hek uit en naar links den weg op.

— Nou hebben we niemand gedag gezegd, klaagde Kobus.

— Ik dorst niet langer te blijven, zei Pim. — Misschien weten ze dat Freerik de benzine heeft gegapt.

— Gegapt?

— Ja natuurlijk. Die hoorde toch niet van hèm? Zoover had Kobus niet gedacht. — Dan was 't ook

slécht! zei hij nu.

— 't Zou ook wat, vond Pim, — zoo'n klein scheutje.

— Als jij de patroon was....

— O, als ik de patroon was! Dan kwam ik nooit. Ik ging fijn den heelen dag fietsen, of néé, op een paard!

— Ikke niet. Ik ging zelf prachtige kleuren maken, veel mooier als wat er in die kuipen is, — net als goud, of zilver, en dan roze en hemelsblauw....

— En wat moeten je knechts dan den heelen dag doen?

— O, dan zou ik ze alles net zoo leeren als ik 't zelf kon. Dan hebben ze 'r natuurlijk veel meer plezier in. Dat zei die ouwe man ook. Er zijn heele dikke boeken over, zie je. En ik zou allemaal leuke dingen gaan uitvinden. Bijvoorbeeld een pomp, die van zelf gaat, voor het heete water.... En ze kregen allemaal een paar handschoenen van me. Ja zéker, da's nies om te lachen; die doet moe ook wel 's aan, als ze aan 't werk is.

Kantig kwamen de daken van Sloterdijk uit, en de kleine wipbrug, gaaf weerspiegeld in het stille water.

— Laten we even naar Sloterdijk gaan, stelde Pim voor.

— Dat hebben we niet afgesproken!

— Ik heb toch óók toegegeven. Toe, Kobus! Onze melkboer woont er, en je kan er heerlijke zure ballen krijgen.

Zij liepen door, de Slatuinen voorbij. Kobus dacht: Dan ben ik daar óók al weer geweest en hij maakte een optelling van de plaatsen die hij reeds gezien had. Maar toen zij in het dorpsstraatje waren, viel déze kennismaking hem toch erg tegen. — Is dat nou alles? vroeg hij. Alleen een voorbij-daverende trein gaf een oogenblik

Sluiten