Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AFSPRAAK

zijn laatste geld kruisbessen. Daarmee verraste hij Kobus, die beteuterd naar hem stond rond te zoeken. Bij den ingang van het Vondelpark kregen zij het toch bijna weer aan den stok. Kobus wou doorloopen naar Kalfjeslaan, zooals was afgesproken, maar hij moest de concessie doen dat zij een kwartiertje zouden gaan rusten op een bank in het park. De bank voldeed niet; zij gingen er achter in 't gras liggen, in de schaduw van een rhododendronperk, dicht bij den blinkenden vijver, en keken naar een paar statig drijvende zwanen.

— Heb jij wel 's een meisje gehad? vroeg Pim.

— Welnée, wat heb je daaran!

— Ikke wèl!

— O, wacht eres, toen ik nog op die andere school ging; daar waren meisjes ook, en toen was ik vriendjes met Rietje van Eist.

— Nou ja, zeker nog zoo n klein kind, maar dat bedoel

'k natuurlijk niet Ikke wèl! En dan mogen je pa en

moe er niks van weten. Ik zeg je ook niet, hoe ze heet, tof!

— Wat kan mjj dat schelen, 'k Wil 't niet eens weten.

— Wat een aardig meisje! 'n Vlecht tot midden op 'r rug, pikzwart! Woensdagmiddags gaan we stiekum samen wandelen. Zaterdags moet ze naar de catechis, want zullie zijn Roomsch. Da's wel lam, vin je niet? Afijn, dan kan ik met de jongens gaan,

Kobus zei niets; zijn mondhoeken waren wat afgezakt.

— 'k Heb wat 'n mooie tol van 'r gekregen.... O jee, daar heb je Hein Grasse! Hein! Hein! Grassèè!

Er naderde een magere, slungelige jongen, wat grooter dan Kobus, lammenadig sjokkend in een lange, bruinige flodderbroek.

— Dag Hein! zei Pim.

— Besjoer, antwoordde de jongen. Hij had een vaalbleeke huid en fletse, groen-achtige oogen.

— Waar ga je naar toe? vroeg Pim, die vergat zijn neef voor te stellen.

— Och, nergens. — Hij ging dwars op de bank zitten,

Sluiten