Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK VAN HET TOONEEL

wat hij zijn dwaling denkt te zijn. Onder den hartstochtelijken aandrang van de verontwaardigde rabbi's laat hij zich ten slotte overhalen om Paulus, daar deze wellicht bezeten is door een boozen geest, voor een bezweerder te brengen. (Wij denken hier onwillekeurig aan het tooneel in »Der Dybuk«, waar een heilige rabbi den geest uit een Joodsch meisje moet bannen, die van haar bezit heeft genomen.) Een volgend tooneel speelt dan ook op de gerechtsplaats, waar Paulus voor het Sanhedrin zal worden geleid, en aan een paal gebonden om daar de bezweringen van den bezweerder te ondergaan. Gamaliel denkt dat dit de eenige weg is om hem te redden, maar als een der rabbijnen Paulus toeroept: „Voel je dan niet, dat de goedheid der Vaderen een poging doet om je te redden?", antwoordt Paulus zacht: ,,Ik bèn gered".

De bezweerder, ondanks alle moeite die hij zich geeft, blijkt machteloos, en als Paulus hem ten slotte aanziet en hem zegt: „Zoo zeker als er in U niets is dan de ijdelheid des woords, doet ge geen stap meer, zijn uw ledematen gebonden, uw krachten gebannen", valt de bezweerder, zélf bezworen, op de knieën.

„Doodt hem, doodt hem!", klinkt het nu van alle zijden, maar juist op dat oogenblik komt Marullus op en verkondigt het verschrikte volk dat de opstand is uitgebroken en Joodsche opstandelingen den Romeinschen adelaar hebben vertrapt. Hij beschuldigt Paulus een der raddraaiers van den opstand te zijn en wil hem doen gevangen nemen, maar wederom redt Gamaliel hem het leven door voor hem in te staan.

„Mijn jongen, wij beiden hebben een geschil tusschen Israël en Israël op te lossen", zegt hij dan tegen hem.

In de prachtige slotacte, de climax van het stuk, staat Gamaliel met zijn vast geloof in de Thora tegenover Paulus met zijn vast geloof in Jezus Christus als Gods Zoon. In beiden is dit geloof een heilige brand. Het hoogtepunt van dit conflict wordt bereikt als Gamaliel met zijn verzekering dat Jezus een mènsch was en niets méér, van Paulus de geestdriftige verzekering hoort dat Jezus de Zoon van God was. In een aanval van vertwijfeling wil Gamaliel nu Paulus met een mes doorsteken. (Intusschen kondigt krijgshaftig trompetgeschal aan dat de Romeinsche cohorten tegen de Joden optrekken en op den tempel aanrukken.) Maar op het laatste oogenblik laat Gamaliel het mes zakken met de woorden: „Ik weet de waarheid niet meer, ga!"

Marullus is de vervolging der Joden begonnen. Jeruzalem staat in brand. De Romeinsche krijgslieden zijn den tempel binnengedrongen: «de katapulten dreunen, de stormrammen bulken».

Als Marullus echter den tempel is binnengedrongen komen Levieten met het lijk van Gamaliel, in een doodshemd, binnen.

Sluiten