Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN TERUGGANG?

grondeloos gemis gevolgd.« (p. XIV) Hieruit weten we: eerstens den geest van de Middeleeuwen, van den middeleeuwschen mensch, en tweedens, dat de middeleeuwsche literatuur een openbaring is van dien geest. Vervolgens geeft Coster de afzonderlijke dichtwerken aan, waarin de middeleeuwsche geest tot uiting komt. Men krijgt een vaak interessante inhouds-weergave van de gedichten. Doch hoe in die gedichten de motieven worden behandeld, wordt slechts sporadisch en in elk geval niet systematisch beschouwd. En toch is dat juist het object eener verhandeling over essenties van poëtische schoonheid. Dan toch moet men aantoonen aan de hand van klank-expressie, accent, rhythmus etc, waarin het mooie, de poëzie van elk gedicht schuilt. Een enkel voorbeeld:

Over het lied van den nachtegaal van Zuster Bertken: »Het is of de onuitsprekelijke verrukking van de liefde en van de natuur zich in deze geheimzinnige en bijna onsamenhangende verzen heeft samengetrokken. Er wordt niet van gesproken, maar het suizelt door de dwalende klank dier strophen. Het schijnt de herinnering aan een lentenacht, waarin de maan niet ophield te schijnen, de nachtegaal niet ophield te roepen, en de ziel als op een stroom van geur en zoetheid dreef door waken en slapen, — een herinnering misschien van lang geleden, van toen ze nog een kind, een meisje was, en de zingende vogel ver in den nacht een eindeloos verlangen wakker riep in dit reine hart. Nu heeft dit eindelooze vrouwelijke hunkeren zich om den Christus geconcentreerd, maar al dat andere van de aarde, het teerste van de aarde schijnt er rond samengeslopen, Het lied spreekt van een vreemd gebeuren, onsamenhangend, onverklaard: vreemde muzieken, die gehoord worden, verlangens, die ver weg willen over »berch ende dak over gansch de aarde, weg met het roepen van den nachtegaal, kwijnende nooden die zoo lang als levens duren, en eindelijk het gedroomde omvangen, en omvangen-worden, en het zwijgen daarachter doet aan als een overstelping van onuitspreekbaarheid.« (p. XXII, XXIII). Hier, uit Coster's aangehaalde woorden, blijkt, wat het

Sluiten