Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN BEWOGEN VRIJDAG OP DE BREESTRAAT

Het werd zóó stil, dat Duifje vaag begon te voelen hoe vermoeid zij was, hoe grenzenloos vermoeid

En zij had wel willen slapen, dacht zij, ze had wel kunnen slapen, als zij haar kindje maar bij zich had gehad De menschen hadden het weggezet, en het was

in den hoek, schuin achter haar....

Door haar grenzenlooze vermoeidheid heen, door haar groote zwakte, begon dat verlangen naar haar kindje te

pijnen En haar heele wezen, iedere vezel van haar

lichaam, al haar denken richtte zich, als door een grooten magneet getrokken, naar dien hoek....

Het werkte in haar borsten, en het werkte in haar ziel

En zij dacht dat zij zeker zou opstaan, en haar kindje halen en het bij zich nemen, als zij maar durfde, als het maar niet ondoenlijk was om haar zwakte, om de gevolgen, om het vertrouwen dat men in haar stelde....

Ja, dan zou zij haar kindje wel halen, zij zou opstaan en het uit zijn wiegje nemen en het bij zich leggen, dicht tegen zich aan, in het holletje van haar armen en haar lichaam, en er zou zulk een weldadige zoetheid, zulk een milde warmte van uitstralen, dat zij heelemaal bevredigd zou zijn, volkomen gelukzalig....

Ja, zijn kopje in haar armen, zijn lieve lijfje tegen haar aan; de ronding van zijn armpje, de adem van zijn mondje, de geur van zijn haartje....

Heel, heel stil lag zij Ze dacht niet meer ze

wist niet meer zoo best waar ze was, en hoe, en waarom ze

zoo zweefde Maar zeker, het was waar: haar kindje

lag bij haar, het lag in het holletje van haar armen en haar lichaam, zoet en aanbiddelijk en lichtend, als met stralen, en — behalve een flauw en verdwijnend gevoel van iets hinderlijks daar in dien hoek — was zij gelukkig, volkomen,

onzegbaar gelukkig Zij bestond niet meer: zij was niets

dan een sfeer van geluk, om het kindje heen....

Sluiten