Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HAAR DAG

nog gauw het brood, de beschuit en de stroopkoeken opbergen, voor de pastoor zou binnen komen. Maar door haar zenuwachtige gejaagdheid liet ze de brooze beschuiten vallen op den grond, juist op het oogenblik, toen pastoor langzaam en statig de kamer betrad. Hij liep op Grootmoeder toe met een uitgestoken mollige hand, zei met een zalvenden lach om de lippen:

„Ik kom even kijken hoe je het maakt, grootmoeder, ik moet hier toch in de buurt zijn. Nog goed?"

„Zoo'n gangetje, meheer pastoor, den eris wat beter en den eris wat slechter — as je oud worre, meheer pastoor."

„Ja — ja — en Merijtje is maar weer druk aan 't werk," lachte hij, terwijl hij toezag, hoe ze met een vuurrood hoofd, de brokken beschuit van den grond bijeen raapte. „Ik zurg maar voor de hap hap, meheer pestoor." „Zoo — zoo — en wie is dat, Grootmoeder?" vroeg hij, op Dirk wijzend en langzaam op haar aanwijzing zich zakken latend in den leuningstoel bij het raam.

„Dat is nou de oudste zeun van Geert, meheer pestoor, Hai hiet Dirk, nei m'n man zaliger vernoemd." „Zoo — zoo —, en wat moet Dirk worden?" „Dat moet ie zelf maar 's zegge, deer zei je van op hoore, meheer pestoor."

De jongen bloosde, zei maar: „Ik weet het nag niet, meheer pestoor.

„Nou, da's ok wat," vinnigde peet Marijtje, bij tafel komend nu, „teugen os zai je, dat je pestoor worre wouwe en nou durf je 't gieniens te zeggen, wat is dat nou." „Dus hij wil priester worden, Merijtje?" „Dat zaid ie tenminste, meheer pestoor, maar het is nag zoo ver niet."

„Daar heb je gelijk aan, maar als het zijn roeping is, dan wordt hij het. — Als dat eens waar was, Grootmoeder — dat had Grootvader eens moeten beleven."

„Kan ik u dienen met een kopje thee, meheer pestoor?" vroeg Merijtje.

„Nee, dank je Merijtje, ik mag geen thee drinken van den dokter."

Sluiten