Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AI GE MEENT. SCHETS DER MENSCHEN. 511

hoofd voor hoofd befcliouw, erken ik dat hunne gering, beid mii ontzet.

Vijf- of zesduizendjarige opmerkingen, aangaande 'smenfchen natuur, allen de eene de andere wederfprekende, hebben naauwelijks de onmogelijkheid doe» opmerken om zich zeiven naauwkeurig te leeren kennen , door middel alleen van 't licht der rede. De Heidenen , vermeteler, en daardoor zelfs te meer verblind, hebben daardoor de wereld in des te grootere onzekerheid gedompeld. Sommigen, door de kundigheden van hun Verfhnd verbijsterd, hebben gemeend, zich tot de Godheid te kunnen verheffen: anderen, de verdorvenheid van hun eigen hart tot eenen leiddraad nemende § hebben zich HÏet gefchaamd, hetzelve beneden den rang der dieren te vernederen. Eenigen onder de eerstgenoemde!! , van de grootheid der iiele zich een verkeerd denkbeeld gevormd hebbende, beweerden, dat de wijze man, zonder murmureren, de wreedffe onheilen kon verduren; in de verbeelding, dat hij die belagchelijke lijddoosheid kon bereiken, die zij als den flaat der heldhaftigheid befchouwden, bepaalden zij alleen hunne hefpiegeüngen bij de voorregten van zijnen fiand, zonder immer op zijne ellenden het oog te vestigen. Dezulken , integendeel, die niets grootsch in den mensch Onderfteldcn, vorderden niets deugdelijks van hem; en, overtuigd, dat men zich nergens in moest bedwingen, onaangemerkt de buitensporigheid, tot welke zoodanig eer. grondregel koude vervoeren, vereerden zij zelfs zijne ondeugden en ongeregeldheden. Het licht des Evangeliums, men moet het bekennen, heeft deze duisternis verdreven. De Godsdienst alleen leert ons ons zeiven kennen. Van den eenen kant berigt zij ons, dat onze ziel onflerfelijk is; dat zij, door haren aard, verheven is boven al wat onze aandacht boeit, en ons meest doet opgetogen ffaan; dat zij eenen onuitputbaren voorraad van begeerten bezit, doch zoo edel, dat niets eindigs hare werkzaamheid kan bepalen; dat zij niet kan verzadigd worden dan in het bezit van haren god , en dat zij regt heeft om naar dat hoogffe goed te ftreven. Aan de andere zijde doet zij ons onze zwakheden zien, onze gebreken, onze ondeugden, mitsgaders derzelver oorzaken en gevolgen. De mensch, op dit onderzoek zich toeleggende, erkent alsdan, dat hij eene gelukzaligheid kent, wezenlijker en lellend iger,

dan

Sluiten