Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DES CHRISTKLIJSEN GODSDIENSTS. 579

wordingen, die daar en boven ons wapenen, niet flechts tegen de vreeze van tot het niet te zullen terugkeeren **gén het wanhopig denkbeeld, dat wij flechts tot lij! den zijn geboren; maar die ons nog verder van onze hekomaiernisfen verlosi'en, en een zoo helder licht van kabr.e gemoedsrust in ons doen opgaan, omtrent al Wat van het loskomende ons onbekend is. ,

Der opmerking mijns gods, derhalve, waardiger dar» de ongevoelige wezens, en alleen bevoegd om hem te kennen, zoude ik dij kunnen ontllagen achten van hem te beminnen, te vereeren en te dienen, zoodra hij mij bekend zal zijn ? En indien ik mij daarvan niet kan ontflaaen rekenen, zoude ik kunnen gelooven, dat hij de keuze der wegen, om tor hem te komen, aan mij heeft overgelaten , blind, zwak en onbehendig als ik ben? Zou de wijsheid zelve mij veroorloofd hebben, omheni naar mijn goeddunken te eeren, zonder zich omtrent het ontvangen van hulde, haar onwaardig, te bemoeijen, eene hulde, bij voorbeeld, hoedanig de mijne zijn zoude: naardien ik, in deze oneindige onevenredigheid tusfehen baar en mij, niet zou kunnen weten, noch wat er goeds, noch wat er gebrekkigs zijn zoude in den eerdienst, welken ik hem betoonde? Zoude het dan mijne rede alleen zijn, die er mij van moet verwittigen ? Maar ik ondervind, dat haar licht verduistert , zoo ras ik met te veel infpanning er mij van wil bedienen, om den Schepper te begrijpen, om zijne oneindige volmaaktheden met elkander overeen te brengen, om zijne regtvaardigheid te verdedigen, op het gezigt van de lijdingen der vromen, en den voorfpoed der goddeloozen; kundigheden, evenwel, voor mij onontbeerlijk , om mijne liefde aan zijne beminnelijkheid te doen evenredig zijn, om hem te eeren, zoo als hij moet geëerd worden, en om hem zelfs in zijne kastijdingen, te beminnen, dewijl zij mij immer regtvaardig moeten dunken, op wat hoofd zij ook nederdalen, en voor hoe onfchuldig ik dat hoofd boude.'

Noodig is het, derhalve, dat die god op eene meer bijzondere wijze zich aan mij mededeele, en op eene meer in 't oogloopende wijze , dan door mijne redeneringen alleen, zich doe kennen; dat hij mij onderrigte aangaande de hulde, die hij van mij vordert, indien het zijn wil zij, dat ik niet in zielverfcheurende onzekerheid dobbere, óf hij mijn dienstoffer aanneme, of O 0 a n%t

Sluiten