Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

596 KLEINE NATUURHISTORISCHE OPMERKINGEN,

gedacht der honden enkel eenen mond, zonder helper; verder dan bijten, lïrekt hunne magt niet. Een voet, welke de plaats eener hand bekleedt, is tot aanhoudend fnel rennen niet gefchikt, daartoe moet hij flechts naar ééne rigting vrije beweging hebben, opdat de infpanning van het ganfche fpierengeftel daarop naar ééne lijn heen werken, en niet verdeeld zou worden; maar tot het gebruiken des voets als eene hand, behoort beweegbaarheid naar vele rigtingen, met welke eene verdeeling der mogelijk daarop aan te wendene kracht gegeven is. Al kan, derhalve, zoo als ik ter gemelde plaats zag, een aangegrepene beer in den angst bijna zoo fnel loopen als een hond, en al is de tijger in zijne fprongen het vlugfte dier, zoo is nogtans de gewone gang van den beer langzaam en plomp, hij jaagt in de wildernis meer door overrompeling, dm door nazetten; en het kattengeflacht loert flechts, gelijk bekend is, om door weinige fprongen ziine prooi te overvallen, mislukt hun dit, dan jagen zij die niet verre na. GezeJfchaP » °<?£ niet nuttig; waar alles op heimelijk bekruip*devy ands aankomt, maar wel, daar een openbare oonog met wedijverend najagen plaats vindt. De behoefte van «rezelfchap, is in het laatfte geval gegeven, om het gebrek aan hulp, welke de voeten bij het aangrijpen kunnen verkenen; in het eerfte vervalt het, als onnoodig, en ftrijdig tegen het eigenbelang, om de prooi alleen te genieten. Wat onder het hondengeflacht nog kuilen graven kan, is minder tot gezelfchap geneigd, dan hetgeen daartoe geheel geene gefchikte voeten heeft, lusfchen den hond en den wolf, heeft te dien opzigte ook nog eenig onderfcheid plaats. Ik zag eenen gejaagden wolf zich tegen de honden verweren, gelijk een hond zich tegen andere honden verweren zou, alleen met dit onderfcheid, dat toen hij vreesde overmand te worden, hij zich op den rug wierp, en met al de vier voeten de honden van zich afweerde. Dit doet de hond niet, hij heeft alleen zijnen mond tot hulp; van daar ook zijne blijkbare drift tot gezelligheid. Hij, die flechts eenen met tanden gewapenden mond heeft, vergezelt zich met den mensen, die alleenlijk armen, maar eenen onmagtigen mond ontvangen beeft; beide te zamen , maken in dit opzigt één geheel uit, hetwelk bij de beere in een individu vereenigd is. Welligt behoort de o fpronkelijke mensch met den hond in één gewest t » *

Sluiten