Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

750 WINTERZANG,

Moe vleijersd was dit jaar de lente,

Toen zij de toekomst blij ontfloot, Toen berg en dal zoo geurvol bloeide, Toen zilvren waas het veld omvloeide, En hoop, op jonge Cherubsvleuglen,

Al zeegnend zwiefde in *t morgenrood.

Schoon, zelfs ontzaglijk was de zomer,

Toen zij, t*> vol'e majefteic. Geheel den dampkring als ontfpaüde, Nu, daar de middag wolkloos brandde, Straks, daar de blaauvve vlam des blikfems

Door iiddrende oorden werd verlpreid.

Geen koeltje wiegde 't fmachtend boschloof.

De laauwe beek floop flervend voort. Niets koa der dagen gloed beteuglen: De rand flechts van hun gouden vleuglen, Die fcheemrer.d aan elkandren reikten,

Was met het bruin des nachts omboord.

Maar 'sboomgaards vol geladen takken

Omfchauwden welvaarts rozenkoets: Verkwikking vloeide uit rijpe vruchten; *t Gebogen graan, dat zorg deed vlugten, Schiep, vreedzaam golvend op den akker,

De wieg des blijden overvloeds.

Hier zaagt ge, o Herfst! op 't erf der vadren*

En graan- en zuivelfeest gevierd, Ginds, bij Helvetiërs, Germanen , Bij Gaul, Romein , en Kastiljanen, Het dankaltaar met purpren trosfen

En kronklend wijnloof gul verfierd.

Ja, Herfst! toen hebt gij 't groeijend leven Een koel, een vreedzaam bed gefpreid •■,

Toen was, in bosch en wandelpaden,

Het fchuiflen der verdorde bladen ,

Wen normen den en eiken kromde, De fluimerzang der vruchtbaarheid.

En gij, die, fints de ftem der Almagt, Het licht voor d'aardbol heeft gewekt,

Verdikte dampen zaam deed 1'cholen,

En zuid- en noorder-Wïreldpolen,

Waar nimmer 't vuur des levens gloorde * JMet eeuwig donkren nacht bedekt.

Gij,

Sluiten