Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ROMAN VAN EEN SCHILDER

INTERMEZZO DE DUITSCHE DESERTEUR

Leo werd begraven op een klein, vereenzaamd kerkhof, dat niet ver van de villa verwijderd lag. Het was een sombere, stormachtige morgen. De trage lijkkoets, met trappelende paarden bespannen, sleepte zich moeizaam over den beslijkten straatweg. Van het zwarte krip, waaronder de kist verscholen was, wapperden de zoomen in den wind, zoodat het doek golvend op en neder deinde. Het was, of de doode in een laatste huivering zijn rouwkleed afschudden wilde, en de bijgeloovige boeren, die toevallig voorbijkwamen, maakten snel het teeken des kruises en prevelden een gebed. Er volgde een hortend rijtuig, waarvan de logge bak met zijn dichte portieren en neergelaten gordijnen een enormen koffer leek, die tusschen knarsende wielen hing. Aan weerskanten van den stoet zwermden een aantal doodbidders en slippedragers. Hun strenge uitgestreken gezichten pasten niet bij de grillige capriolen, waarmee zij telkens opzij sprongen voor plassen en modderspetten.

Niet stichtelijk was het ceremonieel bij zulk een weer en een zoo matige belangstelling. Ruw en zonder eerbied torsten vierkante schouders de schommelende baar, om na een korten marsch bij een der vocht-dampende kuilen halt te houden. De dragers ontlastten zich van de droeve vracht, die zij op dwarsbalken boven de opening plaatsten. Er ontstond een zenuwachtige bedrijvigheid, men wierp elkander touwen toe, fluisterde bevelen. Maar opeens werden de kabels gevierd en langzaam, bijna plechtstatig, zakte de zware massa in de grondelooze diepte.

(Wordt vervolgd).

Sluiten