Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JACOB WINKLER PRINS

Wie de jaargangen van »De Vlaamsche School«, onder redactie van Pol de Mont, naslaat, vindt daar vele bijdragen van zijn hand. «Kattebelletjes over Aesthetiek«, studies over kunst, schilderkunst in 't bizonder: Rembrandt, Hals, Fabricius; Böcklin, Althaus, Reus. Opstellen als: «Natuur en Kunst in onderling verband«; «Publiek tegenover Kunst«; «Groote Kunst — kleine Critiek«; «Over Zwitsersche Schilderkunst«. Zijn opstellen «Schilders in het Gooi« en «Symphonieën in kleur«, zijn te vinden in «Hollandia«; 't maandschrift «Kunst en Leven« en »Reforme« bracht studies over P. C. de Moor en over «Sprookjeskunst van van Daalhoff« (het laatste van Februari 1904).

In zijn studie over «Rembrandt's Beteekenis« in de «Vlaamsche School«, bepleit hij die hooge menschheidsdaad, den schoonen boom te herstellen, dat wil zeggen: al het werk van den grooten Meester onder te brengen in één Museum op Nederlandschen grond....

Slechts korten tijd woonde hij met zijn vrouw te Beekbergen, op den door hemzelf met zooveel noeste vlijt ontgonnen grond, in zijn tuin, in het vogel-doorzongen bosch, bij de eilandjes en den vijver. In November 1901 werd zij plotseling ernstig ziek. Twee zijner broers, die geneesheer zijn, kwamen op zijn dringend telegram onmiddellijk over, maar menschelijke hulp mocht niet meer baten.... Zijn trouwe reis- en levensgezellin was van hem heengegaan. Hij zat als verstomd en gaf eindelijk met enkele woorden uiting aan zijn smart. Denker, als hij was, verdiepte hij zich in het stervensmysterie, sprak over metamorphose en betoogde dat de stof, door de ik-heid verlaten, als een doode worm, weer door 't mineraalrijk werd opgenomen, dat de ziel als een vlinder keerde naar het rijk van Licht....

Onder zijn nagelaten papieren werd gevonden het volgend »Gebed«:

»Ook nu wil ik, Almachtige God, van mijn gevoel getuigen voor mijne lieve

Vrouw, zooals ik dit zoo dikwijls

Sluiten