Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET LEVENSRECHT

door

J. P. ZOOMERS—VERMEER

De oude dame zat in haar kamer, waar in de stilte slechts nu en dan een geluid van den straatweg doorklonk of een gerucht uit keuken of gang waar de dienstmeisjes dan waren. Bertha was zooeven binnengeweest om den schoonen boel van de lunch weer in het buffet te zetten en het meisje had wèl onderdanig gekeken, maar zij had niets durven vragen voor het woord tot haar werd gericht. Haar mevrouw was het salon binnengegaan, maar dan was zij toch even teruggekomen: „zeg aan Reinders dat ik vanmiddag niets meer voor hem heb — en geef belet aan ieder die er buiten juffrouw van Weert mocht komen."

„Goed mevrouw" — had het meisje gezegd. Het was deze Bertha, die in een burgergezin gediend had, die wel eens het woord tot haar dorst richten — en na al wat den Iaatsten tijd gebeurd was liet zij het wel eens toe — er bleef zoo weinig meer over zoo bitter weinig.

Ditzelfde meisje had vanmorgen durven vragen, toen zij voor het eerst in den auto uitging naar het graf van hèm, die hier een week geleden was uitgedragen: haar zoon, alles

IX 1

Sluiten