Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRONIEK DER LETTEREN

«Terneer getuimeld in een bloesemnacht geschiedde de ontluistring zijner leden voor zich de kurve van zijn lichaamsvlucht den wind inwendde, boven 't aarde-vlak. Duizelloos staande in een donderslag die hem de voeten wegstiet van hun steun had hij in zijn verbaasden neerwaartsvlucht den lach behouden, en bij 't ruggelings opgaan voegden zich van zijn armen 't witte tarten tezamen in een sneller kurve dan der sterren witste wentelen beschreef, toen hij hun lachende den nacht ontnam in de verdoeming van zijn handen-draai.«

Toch spreekt uit dezen bundel, al is het met dezelfde vaart en onstuimigheid, een veranderde mentaliteit. Men merkt duidelijk dat het leven hem heeft aangegrepen. Smartelijker kan nu soms zijn stem klinken, voller en wijzer van inhoud. De bezeten, geëxalteerde toon, die in »De Verliefde Betonwerker« zoo opvallend was, werd gedempter, aardscher. Het leven is niet meer dat irreëele paradijs, waarvan hij eens zong:

»Dat wij vaststaan in een stroomversnelling waar geen het roer kan keeren, dat wij achter de tralies der reeling gevangen zijn zonder verweren.

In een vaart die het leven voorbijschoot; dat mij kussend duizend monden verloren wat één ons bood, uit wier armen we ons hebben gewonden.

Om met roekloos omkransten steven luid zingende op den uitkijk te zeilen zonder reven

naar een einder, die eeuwig vooruit wijkt!«

Hij keerde tot den beganen grond weer; gewond, opgejaagd . . . goed, maar hij stond tenminste weer op beide beenen. Een werkelijke strijd kon beginnen en begon inderdaad. Stuurloos aanvankelijk, geslagen en verbijsterd, maar bezeten van een groote

dosis vitaliteit, een durf die het leven aanvaardt hóe

ook ; alleen het hart bewaarde de herinnering aan dien

zuiveren, witten droom van vroeger.

Sluiten