Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERZEN

Haar mededoogen huiverde om dien smaad.

Doch werd haar streng die beeltenis onttogen.

„Wie weet," zei éen, „hoe mond en oogen logen!"

Zij zweeg, maar 't hart verscheurd van liefde en haat.

O bloem verminkt, bezoedeld en versmeten! 't Meewarig kind zal nimmermeer vergeten Dien mond, die oogen, door een man doorboord. Gewonde schoonheid heeft haar ziel bekoord, Vermoedend niet hoe ze éénmaal ook zal weten Hoe liefde lokt, belooft en kust — en moordt.

IV

ONZE VADER

Vóór 't witte kruisbeeld knielde, in halven kring, De klas en de eerste rij bad rhythmisch voor Het Onze Vader. — Luid viel in héél 't koor. 't Klonk plechtig vroom als monotoon gezing.

Uit grijs verleden hoe tot mij dringt door

Die heugnis aan 't gebed, 'lijk zegening

Van Hem, die, blank, aan 't zwarte kruishout hing,

Ons hoedend trouw, dat géén lam ging teloor?

Van morgenbede, eer de afrbeidsdag ving aan,

Tot avondbeê, vóór 't rustbelovend bed,

Kon 't snoer van beden niet mijn ziel volstaan?

Doch, waan van liefde wijdend hoop en lied, Wendde ik mij af van sterking door gebed — Was 't God, die mij, was ik 't, die God verliet?

Sluiten