Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANTON PIECK

tot illustratieven arbeid komt, moet komen, spreekt vanzelf. Karakteristiek voor zijn bezinnend scheppen is hetgeen hij doet na de terugkomst uit Duitschland. Hij is overvol van nieuwe indrukken. Zijn gemoed is een heksenketel. Een spontaan levensdriftig artist zou dadelijk zich werpen op de realiseering van zijn emoties, om in snelle studies dit ontroeringsleven te vertolken. Pieck niet. Voelt, vóór alle dingen, aan dat chaotisch tumult te moeten ontkomen, dat hem in zijn onstuimigheid te machtig is. Hij zet zich voor enkele oude boeken en een paar doodskoppen, analyseert de grimmige vormen en grillige figuraties, dwingt zich tot een rustig observeeren van het stilleven in zijn gehavende verstorvenheid en componeert geduldig zijn groote ets met de schedels (E. 95). Zoon daad geeft een kijk op Pieck's ernstig kunstenaarswezen. Met zorg kiest hij, wat hem past en weert daarmee uit zijn gemoed de jacht en onrust. Zijn kunst is een zielebevrijding. 't Gaat er bij hem niet om, een veelheid van prenten te produceeren, maar om tot helderheid in zijn gevoelsleven te komen. Daardoor wordt hij bewaard voor krachtverspillend experimenteeren, dat op desillusie en uitputting uitloopt. Hij legt zich toe op beperking en concentratie, maakt dat, waar hij zich toe in staat voelt en grijpt niet naar dingen, waar hij nog niet bij kan. Op den duur wordt hij daardoor steeds sterker, maakt gebruik bij volgend werk

van verkregen resultaat en verrast door de talrijkheid

zijner prenten! Want dat is wel heel opmerkelijk bij dezen plichtsgetrouwen werker in den hof der schoone kunsten, dat hij met al zijn voorzichtigheid en vaak aarzelend overwegen toch in den loop der jaren zóóveel werk voortbrengt! Waarbij nog komt, dat Pieck door geregeld lesgeven telkens zijn scheppenden arbeid moet loslaten. In 1920 wordt hij namelijk als leeraar aan het Lyceum te Bloemendaal benoemd, 't Is in dezen tijd, dat hij een ontmoeting heeft, die van groot belang voor zijn leven en kunst zal worden. Zijn Opschrijving te Bethlehem (E. 96, 1919) ontstond zeker, doordat hij bekoord was door de composities van Bruegel. Dat ziet men in de ordening der wo-

Sluiten