Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VILLA MORGENROOD

Toevallig ontmoette ze hem, toen hij van de revue kwam.

— Hallo, Henk,

— Wel, Cato, jij in de stad? Ik meende, dat je een reis om de wereld maakte.

— Lang niet gezien, hè? lachte ze en vertelde, waar ze zooal niet zat en wat ze uitvoerde.

— 't Heeft je heusch geen kwaad gedaan, meende hij en beschouwde h'r stevig, levenslustig persoontje.

— Vind je? vroeg ze gestreeld door zijn opmerkzaamheid. Samen liepen ze voort, Cato druk vertellend van haar

belevinkjes, zoo onder de hand vragend naar zijn werk, zijn studie en zijn plannen. Hij liet niet veel los, wat haar eerst wel krenkte, als een gebrek aan vertrouwen. Voor een oude kennis, zooals zij, hoefde hij toch niets te verbergen, maar later vond ze het karakteristiek van hem. Blufferig was hij niet en van zijn verdiensten zou hij niet spreken. En Henk kon iets, dat vernam ze van alle zijden, hij zou iets kunnen bereiken — nu ja, als 't lot zich niet ongunstig toonde, want dat kon duchtig mee of tegen spelen. Zijn bescheidenheid trok haar aan, ergerde haar toch even.

— Kom je nog wel eens bij Sonja?

— Weinig, 'k Ben zoo gebonden, lessen, oefenen en al.

— Je moest toch eens gauw komen.

— Als ik kan graag. Sonja is altijd zoo hartelijk voor me.

— Als je me nu es bracht?

— Tot de straat — anders blijf ik hangen en 'k heb nog heel wat te doen.

— Flauw, vond ze, maar ze moest berusten, Henk gaf niet toe.

fWordt vervolgd).

Sluiten