Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHIJNWERPER

dat met geraffineerde kunstjes den na-oorlogschen oorlogsafkeer exploiteert.

MARCEL. (Mevr. Carsten staat te stikken van woede). Misschien heeft Uw zoon gelijk, Mevrouw, misschien ben ik slechts een nietsnutteling, misschien ben ik zelfs wel slecht. Wellicht doet U er goed aan, te gelooven al het leelijks, al het negatieve, dat Uw zoon van mij zegt of insinuëeren wil.

Mevr. CARSTEN. Hij moet het niet meer wagen, zooiets

MARCEL, (de nederige zondaar). Er valt hier niets te wagen, Mevrouw. Ik ben natuurlijk niet zoo goed, als ik misschien wel lijk. Wellicht hebt U voor werkelijkheid aangezien, wat niet meer is dan ij dele schijn.

Mevr. CARSTEN. Ik ben niet blind!

MARCEL. Mevrouw, ik ben ook maar een zondig menschenkind, waarom zou ik beter zijn dan Uw zoon me gelieft voor te stellen?!

Mevr. CARSTEN (tot Jan). Schande over jou, dat jij aanleiding bent, dat Hij zich hier staat te onteeren.

JAN. Stiekem laten onteeren.

Mevr. CARSTEN. Hij is een Heilige bij jou vergeleken.

JAN. 'n Heilig boontje, ja, en dat niet vergeet om zijn loontje te komen. (Mevr. Carsten woedende blikken en stampvoetend) Een heilige met een nim-busje van gouden tientjes.

MARCEL. Ik vergeef hem zijn woorden, en bij voorbaat alles wat hij verder voor kwaads moge mededeelen (heft smeekend handen op). Wat ik U bidden mag, vergeeft U hem desgelijks.

Mevr. CARSTEN (tot Jan). Zie je het nu, hoor je het nu? Honni soit qui mal y pense!

MARCEL (knielt bijna voor haar). Vergeving voor hem!

Mevr. CARSTEN. Marcel, lieve Marcel, ik kan het niet

aanzien, dat jij voor zoo'n onverlaat (Marcel blijft diep

gebogen) Verhef je, Marcel, mijn hart krimpt ineen, (tot Jan) Beul! (tot Marcel) Mijn Held! Mijn Afgod.

JAN (schaterlachend). Wanneer mijn God : God af???

Sluiten