Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WIND OP DE MOLENS.

die vertrokken was voor den Oost, aan een jong meisje dat niemand zich nog herinnerde ,aan een hondje dat baste dien heelen achternoen lang toen het ging stormen, 't Was zoon teere-herinnering-wekkende muziek, een lied zooals een genezende ziel er een moet wenschen te hooren, een lied dat danig deugd deed met zoetjes doen te weenen. God ! men kon zich dat zoo allemaal voorstellen, al was het goed mogelijk dat Maris aan niets anders en dacht dan aan zijn gebuur den visscher die sedert dezen morgen zijn net neerliet en weer opdraaide. Misschien peinsde hij aan niets, lijk de rivier die stroomt en lijk de regen die valt.

En almaar door sponnen de kleine nootjes het weemoedige liedje een begeleiding van klinkende regendroppels, totdat er op zeker oogenblik maar een overbleef dat, op zijne beurt, ten leste ook neerviel. Mamie, binst ze naar heur vader luisterde, had wel de oogen van de zoete muziek. Ze neeg heur hoofdje zijwaarts als een kleine Sinte-Cecilia en keek naar 't vallen van den regen op de Leye. Zoetekens smolt het orgelspel weg; men hoorde niet anders dan 't krabben van den regen tegen de ruitjes lijk een vogelken, dat binnen wil. Maris had de armen laten vallen en zat daar vóór het klavier, roerloos, gebroken, plots tien jaar ouder. Er hing een spiegel in het instrument en daarin zag Dries twee zware tranen aan zijn oogen. Wie kon er zeggen waarvoor Maris weende? Op stille voeten sloop Mamie naar hem toe, drukte een kus op zijn hoog, wit voorhoofd en hij bekeek heur met oogen, die ver weg waren, verloren in zijn nevelige krankzinnigheid. Daarop streek hij met de hand over zijn slapen. En hij zei niets anders dan heel dof:

— Het regent!.... het regent!. . ..

En dat simpele woord gesproken na wat hij te spelen kwam, had een zin wat geeneen ander woord kon weergeven. Men was er nu zeker van, 't was wel de droom van den regen wat men gehoord had. Dries zag tot in 't oneindige 't grijze waterpluksel neere zeven over al de kleine strooidaken, over de mijten in de velden, over de koe, door een oude vrouw met een zak op den kop te grazen geleid, onder de populieren langs den weg.

Sluiten